Rb. Noord-Nederland 29 augustus 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:3317

Eiser vraagt ten behoeve van zijn onderneming een Bbz-lening aan. Na positief advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf wordt de lening verstrekt. De lening wordt verstrekt aan eiser, zijn echtgenote en de onderneming. Nadat de BV failleert neemt eiser een voorziening ten laste van zijn ROW voor de helft van de nog openstaande schuld. In geschil is het antwoord op de vraag of het als medeschuldenaar aangaan van de Bbz-lening en het doorlenen aan de onderneming van het aan eiser toekomende deel van de Bbz-lening op zakelijke gronden, of vanuit aandeelhoudersmotief, is geschied. De rechtbank oordeelt dat het handelen van eiser moet worden opgevat als een handelen van een aandeelhouder als zodanig. Met hetgeen hij aanvoert maakt verweerder aannemelijk dat er op het moment van het verstrekken van de Bbz-lening geen enkele marktpartij te vinden was die bereid was een overeenkomstige lening aan de bv te verstrekken tegen een – niet in feite winstdelende – rente. De Bbz-lening zelf kan niet gelden als een geldverstrekking door een marktpartij. Een Bbz-lening is – evenals andere vormen van bijstandsverlening – een laatste redmiddel (ultimum remedium) dat juist ingezet wordt als marktpartijen definitief afhaken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken