Rb. Noord-Nederland 20 september 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:5820

Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) volgt dat de collectieve vordering ook stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de verjaring van de vernietigingsmogelijkheid door middel van een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring. Het bij het gerechtshof Amsterdam op 18 november 2005 ingediende verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst kan niet los worden gezien van de daaraan voorafgaand ingestelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW. Dit verzoek was gericht op het bereiken van een definitief resultaat van de onderhandelingen tussen de partijen bij die collectieve actie. Dat betekent dat pas door de beschikking van het hof Amsterdam van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) definitief is komen vast te staan wat de uitkomst is geweest van de hiervoor bedoelde collectieve actie en dat een belanghebbende pas op dat moment wist waar hij aan toe was. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, indien een eerdere datum dan die van laatstbedoelde beschikking in aanmerking wordt genomen als aanvangsmoment van de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW, de door de Hoge Raad in het hiervoor vermelde arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018, r.o. 3.4.2) bedoelde effectieve en efficiënte rechtsbescherming van de belanghebbende geweld wordt aangedaan. Uit het voorgaande volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken