Hof Amsterdam 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033
HOF AMSTERDAM VERKLAART DUISENBERG-REGELING VERBINDEND Het gerechtshof Amsterdam heeft vandaag uitspraak gedaan in de procedure over het verzoek tot verbindendverklaring van de overeenkomst tot uitvoering van de Duisenberg-regeling. Deze regeling houdt een minnelijke schikking in van geschillen rondom effectenleaseproduc-ten die door (rechtsvoorgangsters van) Dexia Bank Nederland N.V. (Dexia) in Nederland op de markt zijn gebracht. Een aantal van de organisaties die de belangen van afnemers van deze leaseproducten en hun echtgenoten behartigen (de Stichting Leaseverlies, de Stichting Eega-lease, de Consumentenbond en de Vereniging van Effectenbezitters), heeft met Dexia een overeenkomst gesloten tot uitvoering van de Duisenberg-regeling. Deze overeenkomst (de Overeenkomst) is nu op gezamenlijk verzoek van Dexia en de belangen-organisaties verbin-dend verklaard. Het hof stelt vast dat op Dexia, als professionele financiële dienstverlener, een bijzondere zorgplicht tegenover particuliere beleggers rust. Particuliere beleggers moeten worden be-schermd tegen hun eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Bij effectenlease leent de belegger als regel geld om effecten aan te kopen. Bij een ongunstige koersontwikkeling kan de belegger met een schuld blijven zitten. Voor dat risico had Dexia de afnemers van effec-tenleaseproducten uitdrukkelijk en niet mis te verstaan moeten waarschuwen. Dat geldt in ieder geval voor afnemers van zogenaamde "restschuldproducten", maar ook voor een aantal gevallen van zogenaamde "aflossingsproducten". Het hof oordeelt dat Dexia deze bijzondere zorgplicht niet heeft vervuld, evenmin als de banken van wie Dexia dit soort activiteiten heeft overgenomen. Het hof oordeelt verder dat de oorzaak van de massale schade echter niet alleen bij Dexia (en voorgangsters) ligt. De beleggers moeten zelf geweten hebben dat beleggen in effecten ri-sico's heeft. Zij hadden ook, misschien met moeite, kunnen begrijpen hoe de effectenlease in elkaar stak. In elk geval hadden zij kunnen begrijpen dat zij belegden met geleend geld, dat zij rente op de lening moesten betalen en dat de lening moest worden afgelost. Daarmee is niet gezegd dat zij ook steeds konden weten wat voor risico's zij precies liepen en hoe groot die risico's waren. Een van de bezwaren die in de procedure zijn aangevoerd door tegenstanders van verbindend-verklaring van de Overeenkomst, is dat Dexia de aandelen waarop de effectenleaseproducten betrekking hebben, nooit echt heeft gekocht. Volgens deze redenering heeft Dexia op de aan-koop van die aandelen dus ook geen verlies geleden en zouden afnemers van de leaseproduc-ten niet hoeven op te draaien voor verliezen door koersdalingen. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in opdracht van het hof een onderzoek verricht naar de aankoop en het behoud van de aandelen door Dexia. Het hof concludeert nu dat er geen reden is om in twijfel te trekken dat Dexia die aandelen gekocht en vervolgens behouden heeft. Het hof heeft alle relevante bezwaren tegen verbindendverklaring onderzocht. Het komt tot de slotsom dat die bezwaren niet ernstig genoeg zijn. De vergoedingen die de Overeenkomst in het uitzicht stelt, zijn al bij al niet onredelijk. Met bijzondere individuele omstandigheden heeft het hof in deze zaak echter geen rekening kunnen houden. Beleggers en hun echtgenoten die zich bij de Overeenkomst neerleggen, hebben in een aantal gevallen recht op een vergoeding daaronder. Eventuele andere rechten tegen Dexia hebben zij dan niet meer. Voor wie individueel tegen Dexia wil gaan procederen (of een al begonnen individuele procedure wil hervatten), bestaat de mogelijkheid zich aan de Overeenkomst te onttrekken ("uit te stappen"). Wie uitstapt, verspeelt daarmee zijn recht op een vergoeding onder de Overeenkomst. Wie wil uitstappen, moet dit doen door dat schriftelijk mee te delen. Dat moet dan gebeuren binnen een termijn van (iets meer dan) zes maanden nadat in De Volkskrant, De Telegraaf en Het Financieele Dagblad is aangekondigd dat de beschikking van het hof onherroepelijk is geworden. Als die aankondiging nog deze maand verschijnt, loopt de termijn op 31 juli 2007 af. Het hof heeft Dexia en de organisaties die deze procedure zijn begonnen, bevolen aan de beleggers en hun echtgenoten die onder de Overeenkomst vallen, te laten weten aan welk adres de mededeling moet worden gestuurd. Dexia c.s. moeten dat doen per brief, in de ge-noemde kranten (samen met de aankondiging) en op hun websites. Het hof heeft Dexia veroordeeld de kosten van het onderzoek van de AFM te betalen (in to-taal, inclusief het al voldane voorschot, € 148.000).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 149 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 277 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 282 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 290 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 400 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1013 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1014 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1015 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1016 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1017 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 17 Gw
- Artikel 1:88 BW1
- Artikel 1:89 BW1
- Artikel 6:109 BW6
- Artikel 7:900 BW7
- Artikel 7:902 BW7
- Artikel 7:907 BW7
- Artikel 7:908 BW7
- Artikel 7:909 BW7