Rb. Noord-Nederland 30 april 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2205

Art. 7:668a BW; ketenregeling; uitzendovereenkomst of payrolling; voorlopige voorziening Na drie contracten voor bepaalde tijd tekent werknemer een arbeids- c.q. uitzendovereenkomst fase B met een uitzendbureau. Aanmelding verloopt geheel via het kantoor van de werkgever. De uitzendovereenkomst eindigt van rechtswege één dag voordat de werknemer in fase c volgens de CAO zou komen. In de overeenkomst wordt gesproken over arbeidsovereenkomst, uitzendovereenkomst, detacheren, uitzenden, payrolling en payrollmedewerker. De kantonrechter komt tot de conclusie dat het uitzendbureau geen enkele allocatieve functie heeft vervuld of van plan was te vervullen. Hij is van oordeel dat geen geldige uitzendovereenkomst tot stand is gekomen. De vraag is bovendien of het de werknemer duidelijk genoeg was wat hij ondertekende. Waar in de werkzaamheden feitelijk niets is veranderd en de overeenkomst met het uitzendbureau inhoudsloos is geweest, kijkt de kantonrechter door de constructie heen. Voorshands acht de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de vierde arbeidsovereenkomst in deze reeks moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen werkgever en werknemer.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken