Rb. Noord-Nederland 30 januari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:1159

Kinderrechter is van oordeel dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar bezwaar gericht tegen de brief van BJZ om de mandatering van de uitoefening van de voogdij door LJ&R in stand te laten. Het mandaatbesluit Bureaus jeugdzorg en de landelijk werkende instellingen (in werking getreden op 1 juni 2013) regelt dat de Stichting die een Bureau Jeugdzorg in stand houdt (als bedoeld in bedoeld in artikel 4 van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz)), aan de directeuren van de instelling met een landelijk bereik, zoals LJ&R, mandaat, volmacht en machtiging kan verlenen tot het nemen van besluiten en het verrichten van (rechts)handelingen die betrekking hebben op de uitvoering van (onder meer) de voogdij. Dit besluit staat in rechte vast. Nu de uitoefening van de voogdij reeds voortvloeit uit het mandaatbesluit dat op 1 juni 2013 in werking is getreden, kan de brief van 26 februari 2014, waarin BJZ aan LJ&R bericht dat het mandaat betreffende de uitvoering van de voogdij niet wordt gewijzigd, niet worden aangemerkt als een besluit, omdat het niet op rechtsgevolg is gericht. Bezwaar ten onrechte ontvankelijk geacht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen