Rb. Noord-Holland 23 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:5262

Uitleveringsverzoek Oekraïne. Namens de opgeëiste persoon is een beroep gedaan op een dreigende schending van artikel 2 (recht op leven) en artikel 3 (verbod van foltering) van het EVRM. Overweging over de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Justitie en Veiligheid t.a.v. deze weigeringsgrond leidt tot de conclusie dat de rechtbank zich niet bevoegd acht hierover te oordelen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de uitlevering toelaatbaar moet worden verklaard. De rechtbank zal de Minister adviseren bij zijn beslissing op het uitleveringsverzoek rekening te houden, op basis van alle op dat moment beschikbare informatie, met het ernstige gevaar dat de oorlogshandelingen in Oekraïne een dreigende schending van het recht op leven en het recht op vrijwaring van onmenselijke of vernederende behandeling van de opgeëiste persoon opleveren. Daarnaast zal de rechtbank de Minister adviseren op basis van de haar ter beschikking staande informatie over de oorlogssituatie in Oekraïne op dit moment geen gevolg te geven aan het uitleveringsverzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken