Rb. Noord-Holland 8 januari 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:43
Geschil rond de regeling voor een afgeleide formule uit de Wet franchise (art. 7:911 lid 2 sub b BW juncto art. 7:921 BW) en of de Vereniging van Albert Heijn Franchisenemers zich als goed franchisenemer heeft gedragen (art. 7:912 BW). De rechtbank oordeelt in conventie dat Maaltijd Thuis een afgeleide formule is als bedoeld in artikel 7:911 lid 2 BW en dat Albert Heijn Franchising BV op grond van art. 7:921 lid 1 BW voorafgaand aan het doen exploiteren van Maaltijd Thuis instemming aan de franchisenemers had moeten vragen. Partijen hebben namelijk geen overeenstemming bereikt over een drempelwaarde van de omzetderving voor de franchisenemers die geldt voor het instemmingsrecht. Tenslotte is de rechtbank in conventie van oordeel dat het instemmingsrecht van artikel 7:921 BW in deze zaak niet strijdig is met Europees mededingingsrecht en ook niet buiten toepassing kan worden gelaten wegens strijd met de Dienstenrichtlijn. De rechtbank verklaart in reconventie voor recht dat de Vereniging zich niet gedraagt als goed franchisenemer. Dit omdat zij, nadat AHF haar (opnieuw) een voorstel had gedaan om een drempelwaardfe af te spreken alleen een afspraak wilde maken over een drempelwaarde als partijen ook afspraken zouden maken over AH Online. De rechtbank wijst de vordering van AHF om de Vereniging te veroordelen om (alsnog) een redelijke drempelwaarde overeen te komen af, omdat de Vereniging nu eerst een inspanningsverplichting heeft om met AHF te gaan onderhandelen.
De uitspraak op rechtspraak.nl