Rb. Noord-Holland 17 april 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:7655

De rechtbank is van oordeel dat de verlengde navorderingstermijn van vijf jaar van toepassing is. Daarnaast heeft verweerder het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel niet geschonden. Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat gewettigd vertrouwen is gewekt geldt het volgende. Een vergissing van de douaneautoriteiten kan op zichzelf niet tot gevolg hebben dat de utb moet worden verminderd. Ter zitting hebben partijen verklaard dat het beroep tevens moet worden beschouwd als rechtstreeks beroep tegen de afwijzing van het verzoek om terugbetaling. De rechtbank heeft daarom beoordeeld of de douaneautoriteiten een vergissing hebben begaan die eiseres redelijkerwijs niet kon ontdekken in de zin van artikel 119 van het DWU. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bevinding en waarneming van de fysieke controle sprake is van een precieze toezegging waardoor gegronde verwachtingen zijn gewekt. Eiseres kon de vergissing niet redelijkerwijs ontdekken. Het verzoek om terugbetaling is daarom ten onrechte afgewezen. Het beroep ten aanzien van de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de utb verklaart de rechtbank ongegrond. Het beroep met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om terugbetaling verklaart de rechtbank gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken