Rb. Noord-Holland 1 mei 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:5069

Voorafgaand aan het doen van uitspraak heeft eiseres op 16 maart 2023 verzocht om stillegging van de behandeling van haar beroepen, omdat rechtbank Zeeland-West Brabant in de uitspraak van 13 maart 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:1555) prejudiciële vragen aan de Hoge Raad heeft gesteld. Dit verzoek wijst de rechtbank af. Daartoe is redengevend dat de problematiek rond de wijziging in de meting van de CO²-uitstoot van motorvoertuigen en de gevolgen daarvan voor de heffing van BPM reeds geruime tijd en in een groot aantal procedures aan de orde zijn gesteld. Onder andere het gerechtshof Amsterdam (10 november 2022; ECLI:NL:GHAMS:2022:3572) en het gerechtshof Den Haag (24 november 2022; ECLI:NL:GHDHA:2022:2826) hebben hierover geoordeeld. Deze oordelen zijn eveneens middels cassatieberoepen aan de Hoge Raad voorgelegd. Bij deze stand van de jurisprudentie ziet de rechtbank in de gestelde vragen onvoldoende aanleiding het onderzoek te heropenen en de oordeelsvorming met betrekking tot dit geschilpunt op te schorten. Over de vraag of de door eiseres betaalde BPM in strijd met het Europese recht is geheven, gelet op de gewijzigde CO2 meetmethode, volgt de rechtbank, anders dan in haar recente uitspraak van 8 augustus 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:7174, de afwegingen en oordelen van het gerechtshof Amsterdam van 10 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3572. De rechtbank concludeert dat conform de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, voor de auto’s die in geschil zijn, niet aannemelijk is gemaakt dat er een lagere CO2-uitstootwaarde als heffingsgrondslag moet worden gehanteerd dan de CO2-uitstootwaarde die is toegepast bij de registratie van vergelijkbare Nederlandse auto’s. Ook in zoverre zijn de beroepen ongegrond. uitspraakdatum 1 mei 2023

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken