Rb. Noord-Holland 30 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2875

Eiser heeft zijn woning uitgebreid met een aanbouw, die hij als gastenverblijf verhuurt via Airbnb. In geschil is onder andere of de tijdelijke-verhuurregeling van toepassing is. Eiser stelt dat het gastenverblijf niet deel uitmaakt van de eigen woning maar volledig op zichzelf staat. Eiser stelt dat het gastenverblijf hem ook niet als hoofdverblijf ter beschikking staat, gezien de functie van het gastenverblijf en het feit dat eiser er zelf geen gebruik van maakt als het leeg staat. Evenmin is volgens eiser sprake van tijdelijke terbeschikkingstelling, omdat het gastenverblijf permanent voor de verhuur beschikbaar is, ook al zijn de afzonderlijke verhuurperiodes als kort aan te merken. De rechtbank oordeelt dat het gastenverblijf behoort tot de eigen woning en dat het eiser in het onderhavige belastingjaar anders dan tijdelijk ter beschikking heeft gestaan in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. Ook is het gastenverblijf tijdelijk ter beschikking gesteld aan derden, omdat telkens vaststaat dat het op korte termijn weer ter beschikking van eiser zal komen. De conclusie van de rechtbank is dat de tijdelijke-verhuurregeling van toepassing is en de inkomsten uit het ter beschikking stellen van het gastenverblijf terecht op grond van artikel 3.113 van de Wet IB 2001 door verweerder zijn meegenomen in de aanslag. Voorts bestaat voor eiser in het onderhavige jaar geen recht op aftrek van scholingsuitgaven voor het volgen van trainingen op het gebied van actief beleggen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn activiteiten deel uitmaakten van een samenhangend leertraject, zodat in zoverre niet aannemelijk is geworden dat aan de voorwaarden voor het volgen van een studie of opleiding in de zin van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 is voldaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken