Rb. Noord-Holland 8 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:1723
In deze zaak gaat het over de vraag of de bestuurder van de Stichting Rentecertificaten Nederland (hierna: de Stichting) en haar zoon persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de Stichting. In de periode april 2017 tot en met mei 2018 hebben tien beleggers gelden ingelegd bij (een commanditaire vennootschap van) de Stichting voor een bedrag van in totaal € 630.000,-. Met de beleggers is afgesproken dat het geld zou worden belegd in relatief veilige obligaties. De beleggers zouden 6% rente per jaar ontvangen en na het einde van de overeenkomst hun inleg terugkrijgen. De gelden zijn niet belegd in obligaties, maar in risicovolle korte termijn posities in opties en aandelen. Ook zijn de gelden van de beleggers gebruikt om kosten te betalen en voor privé opnames. De ingelegde gelden zijn in een korte periode volledig verdampt, waarna de Stichting failliet is verklaard. De rechtbank komt tot het oordeel dat door de bestuurder en haar zoon een constructie is opgezet om op een leugenachtige en misleidende wijze particuliere beleggers ertoe te bewegen gelden ter beschikking te stellen en deze vervolgens – ten nadele van de beleggers – op andere zeer risicovolle wijze te beleggen en anders te besteden dan voorgespiegeld en afgesproken. De bestuurder van de Stichting valt hiervan een ernstig verwijt te maken. Het is bovendien aannemelijk dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Ook is geen goede administratie bijgehouden en het wettelijk vermoeden dat hieruit voortvloeit, is niet ontkracht. De bestuurder van de Stichting is dus persoonlijk aansprakelijk voor het tekort in het faillissement. Dit geldt ook voor haar zoon, die door de rechtbank wordt aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler van de Stichting.
De uitspraak op rechtspraak.nl