Rb. Noord-Holland 22 juli 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:7070
In geschil is of artikel 4.24 van de Wet IB 2001 van toepassing is op de negatieve vervreemdingsvoordelen voor de participaties in A FGR en B FGR, welke eiser heeft vervreemd aan A BV. Specifiek is de vraag in geschil of eiser een belang heeft behouden bij de activiteiten van A FGR en B FGR. Naar het oordeel van de rechtbank dient artikel 4.24, eerste lid, van de Wet IB 2001 zo gelezen te worden dat op het moment van de vervreemding van de participaties A FGR en B FGR aan A BV getoetst moet worden of eiser een belang heeft behouden bij de activiteiten van A FGR en B FGR. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser op het moment van de vervreemding een belang behouden bij de activiteiten van A FGR en B FGR, omdat A FGR en B FGR op dat moment nog steeds belegden in de door hen gehouden beleggingen. Dat voorafgaand aan de vervreemding een voornemen bestond om de beleggingsactiviteiten van A FGR en B FGR te beëindigen doet daar niet aan af. Verweerder heeft dan ook terecht de negatieve vervreemdingsvoordelen ten aanzien van de vervreemding van A FGR en B FGR aan A BV in aftrek geweigerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl