Rb. Noord-Holland 13 juli 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:6394
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het primaire besluit I is immers op verzoek van de vergunninghouder voor het bestreden besluit al ingetrokken. Hetgeen eiseres met haar bezwaar kennelijk nastreefde, namelijk dat de in het primaire besluit I verleende omgevingsvergunning komt te vervallen, was op dat moment al bereikt. Eiseres had daarom geen processueel belang meer. De rechtbank is echter met eiseres van oordeel dat de intrekking van het primaire besluit I, gezien de feitelijke gang van zaken die heeft geleid tot deze intrekking en de rol van verweerder hierin, gelijk is te stellen met een herroeping van het primaire besluit I wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft daarom ten onrechte de proceskosten in bezwaar in het bestreden besluit niet aan eiseres vergoed. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de gemachtigde van eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening als rechtsbijstandverlener. De kosten van de gemachtigde komen daarom in bezwaar en in beroep voor vergoeding in aanmerking.
De uitspraak op rechtspraak.nl