Rb. Noord-Holland 21 april 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:3542

Klachtzaak. De klachtencommissie heeft klachten tegen de beslissingen tot toediening van medicatie en de beperking van de bewegingsvrijheid gegrond verklaard. De GGZ komt daartegen in beroep. De rechtbank verklaart beide klachten alsnog ongegrond. De rechtbank is met de GGZ van oordeel dat in het geval toediening van medicatie als vorm van verplichte zorg is opgenomen in een zorgmachtiging, niet van de zorgverantwoordelijke in de instelling waar betrokkene – op grond van diezelfde zorgmachtiging – is opgenomen behoeft te worden verwacht dat onderzocht wordt of overplaatsing naar een andere instelling een alternatief kan zijn voor het toedienen van medicatie. Niet voor niets dient reeds bij de voorbereiding van een zorgmachtiging een geneesheer-directeur te worden aangewezen die wordt belast met de uitvoering van de zorgmachtiging. Verder is de rechtbank van oordeel dat opname op een gesloten afdeling hand in hand gaat met het bepreken van de bewegingsvrijheid. De GGZ mocht in de aanzegging volstaan met het motiveren van de noodzaak van het beperken van de bewegingsvrijheid en hoefde daarin geen uitleg te geven over het systeem van vrijheden dat in de instelling wordt gehanteerd. De administratieve lastendruk als gevolg van de Wvggz is voor instellingen al hoog te noemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen