Rb. Noord-Holland 18 november 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11730
Eisers hebben verzocht om handhaving op grond van de Advocatenwet. Gelet op de regelgeving ligt het voor de hand dat er eerst een onderzoek wordt ingesteld door de deken als toezichthouder en dat er daarna – afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek – handhavend zal worden opgetreden. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat hij geen bevoegdheid heeft om een feitelijk onderzoek te doen. Dit standpunt is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. De deken is toezichthouder en heeft bevoegdheden gekregen om onderzoek te doen. Verder kan de vraag of verweerder al dan niet op goede gronden heeft afgezien van handhaving alleen zien op de bestuursrechtelijke handhaving. Immers, tegen beslissingen van de deken ten aanzien van tuchtrechtelijke handhaving kan geen beroep bij de rechtbank worden ingesteld. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht afgezien van bestuursrechtelijke handhaving, omdat er geen bestuursrechtelijke bevoegdheid is om handhavend op te treden tegen de vermeende overtreding. Dit laat onverlet dat verweerder diende te onderzoeken of er aanleiding zou zijn om tuchtrechtelijk te handhaven en als die aanleiding er zou zijn, dit ook te doen. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl