Rb. Noord-Holland 5 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:7456
In geschil is of verweerder de rente op juiste wijze heeft vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of over de periode 1 mei 2016 tot op de dag van terugbetaling van de invoerrechten rente verschuldigd is berekend naar het tarief van de invorderingsrente van artikel 28c IW, zoals eiseres stelt, of rente gelijk aan de vertragingsrente, zoals verweerder stelt. De rechtbank concludeert dat de rente ter zake van teruggaven met betrekking tot aangiften aanvaard voor en vanaf 1 mei 2016 moet worden berekend op de voet van artikel 28c IW. Dit heeft te gelden zowel voor de rente berekend over de periode tot 1 mei 2016 als voor de rente berekend over de periode na die datum. Verweerder heeft dus te weinig rente vergoed. Alle vier de beroepen zijn dus gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl