Rb. Noord-Holland 30 januari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:642
Eiser dient aangemerkt te worden als Rijnvarende. De Rijnvaartverklaring is geldig. Niet gebleken is dat de tot de gedingstukken behorende Rijnvaartverklaring vanwege een wijziging is vervangen door een nieuwe. De verklaring van eiser dat het schip niet is gebruikt in de Rijnvaart is niet onderbouwd met (bewijs)stukken. Het voorwaardelijk ter zitting gedane bewijsaanbod is door de rechtbank afgewezen. Het is onvoldoende concreet en bovendien tardief. Daarbij slaat de rechtbank onder meer acht op de goede procesorde en het bepaalde in artikel 8:58 van de Awb. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn, wordt aan eiser een immateriële schadevergoeding toegekend.
De uitspraak op rechtspraak.nl