Rb. Noord-Holland 22 februari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:1434
In zijn arresten van 3 april 2015 en 10 juni 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van de vermogensrendementsheffing naar de opzet van de wetgever ‘robuust’ en daardoor enigszins ruw is maar niet kan worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert, zodat zich in zoverre geen inbreuk op artikel 1 van het EP voordoet. Hetzelfde heeft te gelden voor het hanteren van één peildatum. Van een individuele en buitensporige last is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511
- HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2829
- HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2662
- HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2663
- HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129
- Conclusie 4 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:41
- HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812
- HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:339
- HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0664
- Conclusie A-G NIESSEN 28 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR0664
- HR 9 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1101