Rb. Noord-Holland 23 april 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:3577

Beklag na conservatoir beslag in SFO. Onjuist is het standpunt dat het door de rechter-commissaris in de machtiging conservatoir beslag vermelde bedrag van € 339.819.16 een bovengrens voor de waarde van een beslag aangeeft. De wetgever heeft voor het conservatoir strafvorderlijk beslag de regeling van het conservatoir beslag in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot uitgangspunt genomen, zij het met de in art. 94c onder a-f Sv genoemde uitzonderingen. De in die bepaling onder a genoemde uitzondering heeft de wetgever aanleiding gegeven tot het daarna onder b vervatte voorschrift ten aanzien van de vermelding van een maximumbedrag in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploot. In dat verband heeft de wetgever nog met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat het belang van het vermelden van het maximumbedrag is gelegen in het kunnen aanbieden van een zekerheidstelling als bedoeld in art. 118a Sv alsmede in de kenbaarheid voor derden die in de beslagen voorwerpen mogelijk ook verhaalsobjecten voor hun vorderingen zien. Daarom moet worden aangenomen dat - evenals dat het geval is in de regeling van het conservatoir beslag in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - met de vermelding van het maximumbedrag niet is beoogd het maximale bedrag aan te geven waarvoor het beslag mag worden gelegd, maar het bedrag waarvoor de beslaglegger een vordering op de beslagdebiteur pretendeert en verhaal beoogt te zoeken (ECLI:NL:HR:2006:AU4691). De drie in beslag genomen fietsen vertegenwoordigen slechts een geringe waarde, maar treffen klager en zijn gezin enorm, zodat het beslag daarop als disproportioneel moet worden beschouwd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken