HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4691

OM-cassatie; omvang conservatoir derdenbeslag ex art. 94a Sv. 1. De wetgever heeft voor het conservatoir strafvorderlijk beslag de regeling van het conservatoir beslag in Rv tot uitgangspunt genomen, zij het met de in art. 94c sub a-f Sv genoemde uitzonderingen. De in die bepaling onder a genoemde uitzondering heeft de wetgever aanleiding gegeven tot het daarna onder b vervatte voorschrift ten aanzien van de vermelding van een maximumbedrag in het pv van inbeslagneming of het beslagexploit. In dat verband heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat het belang van het vermelden van het maximumbedrag is gelegen in het kunnen aanbieden van een zekerheidstelling ex art. 118a Sv alsmede in de kenbaarheid voor derden die in de beslagen voorwerpen mogelijk ook verhaalsobjecten voor hun vorderingen zien. Daarom moet worden aangenomen dat – evenals dat het geval is in de regeling van het conservatoir beslag in Rv – met de vermelding van het maximumbedrag niet is beoogd het maximale bedrag aan te geven waarvoor het beslag mag worden gelegd, maar het bedrag waarvoor de beslaglegger een vordering op de beslagdebiteur pretendeert en verhaal beoogt te zoeken. Een andere opvatting, namelijk dat het aangegeven maximumbedrag de maximale hoogte bepaalt van het te leggen beslag, zou in een geval als i.c. kunnen meebrengen dat het OM in zijn recht van verhaal zou worden beknot ingeval ook andere crediteuren hun verhaalsrechten zouden uitoefenen. Niet kan worden aangenomen dat de wetgever een dergelijke afwijking van de in Rv voorziene regeling van het conservatoir beslag heeft gewild. Aan een vermelding van een maximumbedrag in de ex art. 103 Sv verstrekte machtiging van de RC – zoals hier is geschied – komt geen zelfstandige betekenis toe, nu zo’n vermelding, hoewel door de wetgever wenselijk geacht, niet met zoveel woorden is voorgeschreven. 2. De rb heeft a) geoordeeld dat met het bij de bank op een speciale beslagrekening plaatsen van het bedrag van € 20.000,- voldoende zekerheid is gesteld voor het door de OvJ te nemen verhaal en b) het conservatoir derdenbeslag ten laste van klager onder de bank opgeheven voorzover het een bedrag van € 20.000,- te boven gaat. Indien de rb aan haar beslissing tot (gedeeltelijke) opheffing van het beslag mede als haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat de beslaglegging niet tot een hoger bedrag was toegestaan dan tot het door de RC in zijn machtiging genoemde en in het pv van conservatoir beslag vermelde maximale bedrag van € 20.000,-, heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Maar als de rb het hiervoor vermelde niet heeft miskend, is haar beslissing ontoereikend gemotiveerd omdat haar oordeel dat voldoende zekerheid is gesteld niet zonder meer begrijpelijk is. De OvJ heeft immers aangevoerd dat het bedrag van € 20.000,- een te lage schatting is van hetgeen klager uiteindelijk verschuldigd zal blijken te zijn, terwijl voorts het door de bank op een aparte rekening plaatsen van dat bedrag er niet aan in de weg staat dat derden zich ook op dat saldo kunnen verhalen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen