Rb. Noord-Holland 16 februari 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:1548
De afwijzing van het verzoek van eiseres om een vierde toetskans voor de onderdelen Bestuursprocesrecht en Gedragsrecht kan in rechte stand houden. Artikel 14, eerste lid, van de Stageverordening 2005 (de Verordening) is niet in strijd met artikel 9c van de Advocatenwet. Er is evenmin grond om te oordelen dat artikel 14 van de Verordening in strijd moet worden geacht met de in de artikel 3:3 en 3:4 van de Awb neergelegde beginselen van behoorlijk bestuur. Er is dus geen reden om artikel 14 van de Verordening in dit geval buiten toepassing te laten. Artikel 14 van de Verordening laat dus geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in het eerste lid van artikel 3:4 van de Awb of voor het voeren van beleid bij de toepassing van de hardheidsclausule ten aanzien van het tweede lid van dit artikel. Ook voor gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid is geen ruimte. Van strijd met artikel 4:84 van de Awb kan geen sprake zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl