Rb. Noord-Holland 7 maart 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ3549
Besluit waarbij het college geweigerd heeft handhavend op te treden en om maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot een windturbine. Voor deze windturbine gold tot 1 januari 2011 een onherroepelijke milieuvergunning als bedoeld in art. 8.1 van de Wet milieubeheer. Aan deze vergunning waren onder meer geluidsvoorschriften verbonden. Op 1 januari 2011 is het gewijzigd Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (oud; hierna: het Barim) in werking getreden. Dit heeft tot gevolg gehad dat de windturbine onder de werking van het Barim is komen te vallen. De verleende milieuvergunning is van rechtswege komen te vervallen. Met haar verzoek om handhaving beoogt eiseres te bewerkstelligen dat verweerder de geluidsvoorschriften die golden op grond van de milieuvergunning op grond van het overgangsrecht uit het Barim gedurende drie jaar aanmerkt als maatwerkvoorschriften en vervolgens handhavend optreedt wegens overtreding van die maatwerkvoorschriften. Verder wenst zij dat verweerder maatwerkvoorschriften gaat opstellen gelijk aan de geluidsvoorschriften uit de milieuvergunning, die kunnen gelden na de periode van drie jaar. (…) Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de aan de voorheen geldende milieuvergunning verbonden geluidsvoorschriften op grond van art. 6.1, lid 1, van het Barim moeten worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften. In dat verband is van belang of de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften. De Rb. overweegt allereerst dat, nu voor de windturbine tot 1 januari 2011 een vergunning op grond van art. 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, art. 6.1, lid 1, van het Barim in zoverre van toepassing is. (…) Op grond van art. 3.14a, lid 3, van het Barim kan het bevoegd gezag, in afwijking van het eerste lid, bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen. (…) De Rb. is, anders dan verweerder, van oordeel dat het derde lid van art. 3.14a van het Barim niet uitsluit - en dus toelaat - dat als maatwerkvoorschrift een geluidsnorm wordt gesteld met een waarde in een andere eenheid dan dB Lden en dB Lnight, zoals dB(a). De toelichting bij het gewijzigd Barim en art. 3.14a daarvan (Staatsblad 201, nr. 749, blz. 7-8, 15) biedt ook geen aanknopingspunten voor verweerders beperkende uitleg van dit artikellid. De mogelijkheid om geluidsvoorschriften met normen in een andere waarde vast te stellen dan de standaardwaarden sluit juist ook aan bij de in dit artikellid geboden mogelijkheid om voor een concreet en specifiek geval, in verband met bijzondere lokale omstandigheden, maatwerkvoorschriften vast te stellen. De vraag is vervolgens of er bijzondere lokale omstandigheden zijn, omdat verweerder alleen dan op grond van art. 3.14a, lid 3 van het Barim een maatwerkvoorschrift kan vaststellen. (…) Naar het oordeel van de Rb. is het door verweerder ingenomen en ook in het Windbeleid neergelegde standpunt onjuist dat in dit betreffende gebied geen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld omdat geen sprake is van een stiltegebied en dus niet van bijzondere lokale omstandigheden. De vraag of sprake is van bijzondere lokale omstandigheden dient aan de hand van de concrete plaatselijke feiten en omstandigheden te worden beantwoord. In de toelichting op art. 3.14a van het Barim (Staatsblad 2010, nr. 749, blz. 8) wordt een stiltegebied slechts als voorbeeld genoemd van een bijzondere lokale omstandigheid. Naar het oordeel van de Rb. staat het bepaalde in art. 3.14a, lid 3, er dan ook niet aan in de weg dat een aanzienlijk lager dan gemiddeld achtergrondgeluidsniveau kan worden aangemerkt als een bijzondere lokale omstandigheid. Aangezien verweerder in de milieuvergunning rekening heeft gehouden met het lage achtergrondgeluidsniveau en in het Windbeleid is bepaald het achtergrondgeluidsniveau als grenswaarde aan te houden, is de Rb. van oordeel dat het lage achtergrondgeluidsniveau in dit geval moet worden aangemerkt als een bijzondere lokale omstandigheden als bedoeld in art. 3.14a, lid 3 van het Barim. Gelet op het voorgaande is de Rb. van oordeel dat de geluidsvoorschriften van de milieuvergunning vallen binnen de bevoegdheid van verweerder tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Dit betekent dat is voldaan aan voorwaarden voor de toepasselijkheid van het overgangsrecht in het eerste lid van art. 6.1 van het Barim. De geluidsvoorschriften van de milieuvergunning worden derhalve gedurende drie jaar na 1 januari 2011 aangemerkt als maatwerkvoorschriften. Gebleken is - en verweerder heeft dit ter zitting ook erkend - dat de windturbine in werking is met inachtneming van de op grond van het Barim geldende algemene geluidsnormen en dat niet wordt voldaan aan de strengere geluidsnormen uit de milieuvergunning. Dit betekent dat de voor de windturbine geldende maatwerkvoorschriften worden overtreden en dat verweerder bevoegd is tegen deze overtreding handhavend op te treden. Verweerder heeft dat miskend. (…) De Rb. is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval van handhavend optreden zou moeten worden afgezien. De maatwerkvoorschriften gelden gerekend vanaf 1 januari 2011 nog drie jaren en die termijn is nog niet verstreken. Uit de overwegingen hiervoor volgt bovendien dat verweerder - in verband met de bijzondere lokale omstandigheden - blijvend bevoegd is deze maatwerkvoorschriften aan het in werking hebben van de windturbine te verbinden. (…) Gelet op al het voorgaande is het beroep gegrond. De Rb. vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient binnen vier weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. De Rb. wijst er met nadruk op dat verweerder daarbij niet kan volstaan met het in het vooruitzicht stellen van handhavend optreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl