Rb. Midden-Nederland 13 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:478

Wav-boete. Wml-boete. Last onder dwangsom. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister aan eiseres een boete mocht opleggen op grond van de Wav omdat de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden van de studenten niet in overeenstemming waren met de voorwaarden van de tewerkstellingsvergunningen die waren verleend. De minister heeft kunnen concluderen dat de stages, die met name gericht waren op het meewerken in de productie, niet op het vereiste hbo- of universitair niveau waren. De hoogte van die boete vindt de rechtbank niet onredelijk. Het beroep hiertegen is ongegrond. De rechtbank is het echter met eiseres eens dat de minister gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak niet heeft kunnen concluderen dat de Wml is overtreden. Dat de stages niet op het vereiste niveau waren, maakt op zichzelf niet dat dan dus sprake was van arbeidsovereenkomsten. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de minister gelet op diverse contra-indicaties niet aan zijn bewijslast heeft voldaan dat sprake was van arbeidsovereenkomsten. Daarom staat niet vast dat sprake is van overtredingen van de Wml. De boete en de last onder dwangsom op die grond komen daarom te vervallen. Deze beroepen zijn gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken