Rb. Midden-Nederland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4179

Megazaak Lucifer. Lucifer betreft een onderzoek naar de moorden op vijf personen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich, als onderdeel van een criminele organisatie, schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de medeplichtigheid aan twee moorden en een poging tot zware mishandeling. De verdachte wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij twee moorden en de voorbereiding van een moord. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van dertien jaren en acht maanden. Dit is de maximale straf die de rechtbank in deze zaak nog kan opleggen. De vorderingen van de benadeelde partijen worden (deels) toegewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/010245-23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1979] in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1 Inleiding

1.1 Onderzoek Lucifer

Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend staat onder de naam Lucifer. Dit onderzoek betreft een overkoepelend politieonderzoek naar de betrokkenheid van de verdachte bij de moorden op vijf personen, te weten:

De moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 23 december 2011 in Houten (TGO Veste);
De (poging tot) moord op [slachtoffer 3] op 11 januari 2014 en 14 april 2014 in Steenbergen (TGO IJsberg);
De moord op [slachtoffer 4] op 20 januari 2014 in Amersfoort (TGO Brand);
De (voorbereiding op de) moord op [slachtoffer 5] op 1 december 2014 in Amersfoort (TGO Hendrick).

1.2 De zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 2, 7, 9, 14, 20 april en 11 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 13 juli 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.

Op (delen van de) zitting waren aanwezig:

de verdachte;
de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie);
de advocaten van de verdachte: mr. S.L.J. Janssen en mr. E.M. Geboers (hierna: de verdediging);
mevrouw [nabestaande 1] (de zus van het overleden slachtoffer [slachtoffer 4] ), nabestaande en benadeelde partij;
de heer [nabestaande 2] (de broer het overleden slachtoffer [slachtoffer 4] ), nabestaande en benadeelde partij;
mevrouw [nabestaande 3] (de dochter van het overleden slachtoffer [slachtoffer 3] ), nabestaande en benadeelde partij;

mr. T.G.J. Nevels, slachtofferadvocaat van de familie van het overleden slachtoffer [slachtoffer 4] ;
mr. R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers, slachtofferadvocaat van de familie van het overleden slachtoffer [slachtoffer 5] ;
mr. B. Roodveldt, slachtofferadvocaat van de vrouw van het overleden slachtoffer [slachtoffer 5] ;
mr. J. Vermaat, slachtofferadvocaat van de familie van het overleden slachtoffer [slachtoffer 1] .

1.3 Tenlastelegging

Het Openbaar Ministerie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

Zaaksdossier Brand en Hendrick

feit 1

op 20 januari 2014 in Amersfoort met anderen [slachtoffer 4] heeft vermoord of daar in de periode van 3 tot en met 20 januari 2014 medeplichtig aan is geweest;

feit 2

in de periodes van 3 tot en met 20 januari 2014 en/of 1 tot en met 29 november 2014 de moord op [slachtoffer 4] en [nabestaande 11] met anderen heeft voorbereid;

Zaakdossier IJsberg

feit 3

op 11 januari 2014 in Steenbergen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 3] te vermoorden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of daar in de periode van 16 december 2013 tot en met 11 januari 2014 medeplichtig aan is geweest;

feit 4

op 14 april 2014 in Steenbergen met anderen [slachtoffer 3] heeft vermoord of daar in de periode van 16 december 2013 tot en met 14 april 2014 medeplichtig aan is geweest;

feit 5

in de periode van 16 december 2013 tot en met 14 april 2014 samen met samen met anderen de moord op [slachtoffer 3] heeft voorbereid;

Zaakdossier Veste

feit 6

op 23 december 2011 in Houten met anderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft vermoord of daar in de periode van 11 tot en met 23 december 2011 medeplichtig aan is geweest.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

1.4 Opbouw vonnis

Dit vonnis is als volgt opgebouwd:

Hoofdstuk 1: de inleiding

Hoofdstuk 2: algemene overwegingen

Hoofdstuk 3: waardering van het bewijs in zaaksdossiers Brand, IJsberg en Hendrick

Hoofdstuk 4: vrijspraak in zaaksdossier Veste

Hoofdstuk 5: de bewezenverklaring

Hoofdstuk 6: kwalificatie en strafbaarheid

Hoofdstuk 7: motivering van de straf

Hoofdstuk 8: de benadeelde partijen

Hoofdstuk 9: de toepasselijke wettelijke voorschriften

Hoofdstuk 10: de beslissing.

2 Algemene overwegingen

2.1 Het criminele samenwerkingsverband van 26Koper

Op 11 maart 2019 is de verdachte door het gerechtshof Amsterdam in onderzoek 26Koper veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren. Het hof heeft in haar arrest bewezenverklaard dat de verdachte zich (onder andere) schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord in de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 en het deelnemen aan een criminele organisatie die het voorbereiden van moord tot oogmerk had in de periode van 1 maart 2015 tot en met 15 juli 2015. In diezelfde periode heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan grootschalig wapenbezit. Dit arrest is onherroepelijk.

Het hof oordeelt dat de verdachte samen met onder andere [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) doelbewuste en goed afgestemde voorbereidingshandelingen heeft medegepleegd, welke bestonden uit het voorhanden hebben van gestolen auto’s, voorzien van valse of vervalste kentekenplaten, automatische vuurwapens en patroonhouders, die bestemd waren voor de inzet bij levensdelicten. Het hof baseert haar oordeel (onder andere) op de betrokkenheid van de verdachte bij (de in wisselende samenstellingen) verrichte observaties van personen, de in dat verband gevoerde communicatie en de, nog nader in dit vonnis te bespreken, inbeslaggenomen financiële administratie van de organisatie, waar de verdachte onder de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’ in voorkomt.

Volgens het hof is tussen de verdachten sprake geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, of wel een criminele organisatie. Gelet op het bewijs van verrichte voorbereidingshandelingen heeft de criminele organisatie, naar het oordeel van het hof, onmiskenbaar de voorbereiding van moord tot oogmerk gehad.

De tenlastegelegde feiten waar de verdachte in onderzoek Lucifer voor terechtstaat, dateren uit 2011 en 2014 en hebben zich afgespeeld in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde pleegperioden in onderzoek 26Koper. Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn verdeeld over de vraag wat deze veroordeling en andere bewijsmiddelen over de rol van verdachte binnen de ‘Kopergroep’, die betrekking hebben op de periode na 1 december 2014, betekenen voor de beoordeling van de zaken in het onderzoek Lucifer.

2.1.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de criminele organisatie uit 26Koper (ook) betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten in onderzoek Lucifer. Volgens het Openbaar Ministerie heeft de verdachte binnen de 26Koper-organisatie een coördineerde en sturende rol gehad, en ook ten tijde van de feiten in onderzoek Lucifer. Het Openbaar Ministerie voert daartoe het volgende aan.

De rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van 27 februari 2024 in onderzoek 26Marengo in de zaak tegen [A] (hierna: [A] ) geoordeeld dat [A] leiding gaf aan een criminele organisatie die zich vanaf 1 juli 2015 op professionele wijze bezighield met moorden. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat de ‘Kopergroep’ voor [A] werkte en dat hun werkzaamheden, na hun aanhoudingen in juli 2015, door anderen zijn voortgezet.

Uit onderzoek 26Koper en 26Marengo blijkt volgens het Openbaar Ministerie dat de verdachte een sleutelpositie vervulde binnen de criminele organisatie. In het kader van de voorbereiding van moorden regelde de verdachte wapens, PGP-telefoons en bakenapparatuur, hield hij zich bezig met het rijklaar maken van gestolen voertuigen en communiceerde hij over het wegmaken van wapens, voertuigen en andere sporen. Daarnaast was de verdachte een vertrouweling van [A] , omdat hij, volgens het Openbaar Ministerie, een van de weinigen was die rechtstreeks contact met hem had. In PGP-berichten uit 2015 tussen de verdachte en [A] , die in onderzoek 26Marengo (na het gewezen arrest in 26Koper) naar voren zijn gekomen, wordt gesproken over voorgenomen liquidaties op personen en de voorbereiding daarvan. Uit deze berichten blijkt dat de verdachte zich bezighield met de aansturing van ‘spotters’ en ‘heads’ (of wel schutters) én de uitbetaling van spotters. Daar komt bij dat de verdachte na zijn aanhouding in de daaropvolgende periode, samen met [medeverdachte 1] , vanuit de organisatie aanzienlijk hogere uitbetalingen voor zijn familie ontvangt dan de rest van de aangehouden verdachten in onderzoek 26Koper.

De gedachte dat de organisatie en de posities daarbinnen pas zijn ontstaan op of na de bewezenverklaarde startdatum in het arrest in 26Koper (1 december 2014) gaat volgens het Openbaar Ministerie niet op. Een professionele en beroepsmatige organisatie, zoals de ‘Kopergroep’, is niet binnen enkele weken of maanden gevormd, net zo min als de rollen en posities binnen die organisatie. Wat het Openbaar Ministerie betreft kan het dan ook niet anders dan dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde perioden in onderzoek Lucifer (2011 en eind 2013-2014), net als in de onderzoeksperiode van 26Koper, een prominente rol had binnen de organisatie. Volgens het Openbaar Ministerie moet het dossier in deze zaak tegen die achtergrond worden beoordeeld.

2.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging gaat ervan uit dat de rechtbank de vaststellingen gedaan door het hof in onderzoek 26Koper zal aannemen. Wel heeft zij bepleit terughoudend te zijn deze vaststellingen te betrekken bij de beoordeling van de feiten in onderzoek Lucifer.

Volgens de verdediging hield de groep uit 26Koper zich voornamelijk bezig met de handel in verdovende middelen. Niet is gebleken dat de groep zich exclusief richtte op het plegen van liquidaties, laat staan dat de verdachte hierbij een leidende rol had. De verdediging voert aan dat het hof in haar arrest noch in het kader van de bewezenverklaring noch in het kader van de strafmaat, vaststellingen heeft gedaan over de door het Openbaar Ministerie gestelde (vermeende) prominente rol van de verdachte. Volgens de verdediging wijzen de PGP-berichten uit 2015, waarin de verdachte met [A] spreekt over geweldsfeiten, niet op een hogere positie. Nog daargelaten dat dergelijke berichten binnen de omvangrijke hoeveelheid vergaarde berichtgeving veruit in de minderheid zijn, zijn dergelijke berichten niet aanwezig over de periode van vóór 26Koper, waarop de tenlastelegging in deze zaak ziet.

2.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Over de betekenis van bewijsmiddelen die gaan over de rol van verdachte binnen de Kopergroep overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank gaat er met het Openbaar Ministerie en de verdediging vanuit dat de criminele organisatie van 26Koper ook al enige tijd bestond voor 1 december 2014, zoals later in dit vonnis aan de hand van bewijsmiddelen uiteen wordt gezet. De verdachte heeft daarover ook zelf op zitting verklaard dat hij zich in de ten laste gelegde periode samen met anderen bezig hield met criminele activiteiten.

De rechtbank overweegt dat de positie van de verdachte binnen de criminele organisatie bij de uiteindelijke beoordeling van de tenlastegelegde feiten van betekenis kan zijn. Vooropstaat echter dat de rechtbank per tenlastegelegd feit moet beoordelen of er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte een strafrechtelijk verwijtbare bijdrage heeft geleverd aan de concrete moord of voorbereiding daarvan. Daarbij zal de rechtbank niet als algemeen uitgangspunt nemen dat de verdachte een leidende rol had binnen de organisatie. Uit het arrest in 26Koper volgt namelijk niet dat de verdachte zo’n leidende rol had, terwijl ook ander bewijs uit bijvoorbeeld de zaak 26Marengo niet ziet op de periode van de hier tenlastegelegde feiten. Zonder voldoende concreet bewijs kan de rechtbank er niet vanuit gaan dat elke deelnemer aan een criminele organisatie altijd dezelfde rol bekleedt en heeft bekleed binnen die organisatie.

2.2 Juridische kaders

2.2.1 Medeplegen

De verdachte is telkens het medeplegen van (poging tot) de moorden en de voorbereiding daarvan ten laste gelegd.

Voor de kwalificatie van medeplegen, als bedoeld in artikel 47 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Daartoe dient de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn.

In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van dat feit. Dit is echter niet noodzakelijk. De omstandigheid dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandeling(en) heeft verricht, behoeft aan het bewijs van medeplegen niet in de weg te staan. De bijdrage van een medepleger kan ook zijn geleverd in verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de strafbare bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd.

Indien het tenlastegelegde medeplegen, zoals hiervoor benoemd, in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van een wapen of het verstrekken van inlichtingen), moet de rechter, in het geval hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, dat medeplegen nauwkeurig motiveren. In de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - zal toegelicht moeten worden dat en waarom de (eventueel cumulatieve) bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Voorop staat dat een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de fysieke uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd door andere factoren, bijvoorbeeld een grote(re) rol in het kader van het beramen en voorbereiden van het feit (HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637).

Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten.

Voor medeplegen (als ook medeplichtigheid) geldt dat het (dubbel) opzet van de verdachte gericht moet zijn geweest op de onderlinge samenwerking én op het begaan van het grondfeit zoals tenlastegelegd.

2.2.2 Medeplichtigheid

In het geval de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt, is de medeplichtigheid aan (het medeplegen van) de tenlastegelegde (poging tot) moord(en) tenlastegelegd.

In het geval van medeplichtigheid, als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, is het verwijt dat de verdachte een door een ander begaan misdrijf bevordert en/of vergemakkelijkt. De medeplichtigheid kan bestaan uit het opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf, dan wel het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf. Een poging tot medeplichtigheid is niet strafbaar.

Ook voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is vereist dat bij de verdachte sprake is geweest van dubbel opzet. De verdachte moet opzet hebben gehad op zijn behulpzaamheid opleverende handeling(en) en (al dan niet in voorwaardelijke zin) het gepleegde gronddelict.

2.2.3 Voorbereiding

Tot slot is de verdachte onder feit 2 en feit 5 tenlastegelegd dat de verdachte (samen met een ander of anderen) de moord op [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] heeft voorbereid.

Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen van een

misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, als bedoeld in artikel 46 Sr, moet bewezen worden dat een dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen (hierna gezamenlijk aangeduid als: voorwerpen) bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

In de bewijslevering zijn een objectieve en een subjectieve component te onderscheiden. Zo moet worden beoordeeld of de (aard van de) voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen van de verdachte dienstig konden zijn voor het misdadig doel (de objectieve component) dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had (de subjectieve component) (HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213).

Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn verdeeld over de beantwoording van de vraag wanneer een voorwerp is “bestemd tot” het begaan van een misdrijf, het zogenoemde bestemmingsvereiste.

Het Openbaar Ministerie stelt - kort gezegd - dat het bestemmingsvereiste ruim moet worden uitgelegd. Voor de beoordeling of voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het misdrijf is relevant of de voorwerpen dienstig konden zijn aan het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik ervan, gezien de context, voor ogen stond. Volgens het Openbaar Ministerie is hiervoor niet vereist dat de voorwerpen daadwerkelijk bij de uitvoering van het delict (zouden) zijn ingezet. Elk voorwerp dat op enig moment van betekenis is voor de (latere) uitvoering van het misdrijf, ook als het niet gebruikt is of bedoeld is om te gebruiken bij de feitelijke uitvoering van het misdrijf, valt onder het bereik van artikel 46 Sr, aldus het Openbaar Ministerie.

De verdediging bepleit aansluiting te zoeken bij de (huidige) standaard in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Volgens de verdediging voldoen de in artikel 46 Sr bedoelde voorwerpen slechts aan het bestemmingsvereiste, als deze bedoeld zijn om het misdrijf zelf te begaan. Voorwerpen die uitsluitend zijn gebruikt bij de voorbereiding van een misdrijf, maar die niet zijn gebruikt bij de feitelijke uitvoering daarvan, voldoen niet aan het bestemmingsvereiste, aldus de verdediging.

Ten aanzien van het debat over de interpretatie van het bestemmingsvereiste overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals recent is overwogen en uitgebreid uiteen is gezet door het hof Amsterdam in de zaak Antigo vindt de ruime uitleg die het Openbaar Ministerie aan het bestemmingsvereiste lijkt te willen geven, geen steun in de tekst van artikel 46 Sr en kan deze ook niet uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid (Gerechtshof Amsterdam 18 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3470).

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt uit de tekst van het wetsartikel dat met ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid en niet op de voorbereiding zelf (HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198 en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956). Als het gebruik van voorwerpen zich beperkt tot de voorbereiding en niet komt vast te staan dat deze voorwerpen mede van betekenis zijn (geweest) voor de daadwerkelijke uitvoering van het misdrijf, is niet voldaan aan het bestemmingsvereiste. Zo staat niet het beoogde misdrijf centraal, maar het door de verdachte beoogde gebruik van de voorwerpen.

Bij de beoordeling van de feiten zal de rechtbank uitgaan van voornoemde uitleg van het bestemmingsvereiste van de Hoge Raad. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in deze zaak niet is gebleven bij de voorbereiding van moorden, maar de moorden daadwerkelijk zijn voltooid. Voor de beoordeling van de subjectieve component kan dan de daadwerkelijke uitvoering van de moord betrokken worden. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat een voorwerp ten tijde van het voorhanden hebben daarvan, bestemd was om te gebruiken bij de uitvoering van de moord, levert het feit dat een voorwerp uitsluitend bij de voorbereiding van die moord is gebruikt wel een sterke aanwijzing op dat de betrokkene(n) met het voorwerp een ander (misdadig) doel had(den) dan het begaan van de moord.

Voorhanden hebben

Het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ is een begrip dat in de jurisprudentie nader is ingevuld. Vereist is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp. Daarnaast moet de verdachte feitelijke macht (beschikkingsmacht) over het voorwerp hebben kunnen uitoefenen. Niet is vereist dat de verdachte te alle tijden onmiddellijk ofwel direct over het voorwerp kan beschikken.

3 Waardering van het bewijs in zaaksdossiers Brand, IJsberg en Hendrick

3.1 Betrokkenheid organisatie bij de liquidaties van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5]

De rechtbank zal voordat zij in zal gaan op de rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten, uiteenzetten waarom zij, anders dan de verdediging, van oordeel is dat de criminele organisatie waaraan de verdachte deelnam, betrokken is geweest bij de liquidaties van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] . De rechtbank baseert haar oordeel op de financiële administratie van die organisatie in combinatie met het feit dat bij de verrichte voorverkenningen en/of observaties van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] dezelfde technische hulpmiddelen zijn gebruikt.

3.1.1 De administratie van [medeverdachte 1]

In de woning van [medeverdachte 1] , veroordeelde in onderzoek 26Koper, wordt tijdens een doorzoeking op 15 juli 2015 een handgeschreven notitieboekje met aantekeningen aangetroffen. Deze aantekeningen blijken, zoals door het hof reeds is vastgesteld, de financiële administratie van de criminele organisatie te zijn en bestrijken de periode van 8 januari 2014 tot en met 14 juli 2015. Naast aantekeningen over inkomsten uit de handel in verdovende middelen, zijn gedurende 2014 uitgaven te zien voor onder andere strijkijzer of ijzer (wapens), tracker (peilbaken), spot, spotters, hit en hitter.

In relatie tot de tenlastegelegde feiten in onderzoek Lucifer neemt de rechtbank de volgende betalingen in aanmerking. Op 21 januari 2014, de dag na de liquidatie op [slachtoffer 4] , gaat er een bedrag van 100d (de rechtbank begrijpt 100.000 euro) uit naar ‘mattie’. Op 12 januari 2014, één dag na de poging tot moord dan wel zware mishandeling van [slachtoffer 3] , is een uitgaande betaling te zien van 50d (de rechtbank begrijpt 50.000 euro) aan ‘ [bijnaam] ’. Aan ‘ [bijnaam] ’ wordt eveneens op 14 april 2014, de dag dat [slachtoffer 3] geliquideerd is, een geldbedrag betaald. Dit keer gaat het (weer) om een bedrag van 100d (100.000 euro). Tot slot wordt op 1 december 2014, de dag dat [slachtoffer 5] geliquideerd is, een betaling gedaan aan ‘hitter’ voor (opnieuw) een bedrag van 100d (100.000 euro). De rechtbank overweegt dat uit deze administratie blijkt dat de criminele organisatie (in ieder geval) in januari 2014 reeds bestond en actief was. Vanwege de grote hoeveelheid (bij)namen genoemd in de administratie, gaat de rechtbank er ook vanuit dat anderen, naast de vijf veroordeelden in onderzoek 26Koper, hebben deelgenomen aan de criminele organisatie.

In de administratie komen termen voor die binnen het criminele milieu doorgaans in verband kunnen worden gebracht met het volgen van een beoogd slachtoffer (of wel het ‘spotten’) van een liquidatie (of wel een ‘hit’). De stellingname dat de criminele organisatie zich voor 26Koper mogelijk alleen bezighield met verdovende middelen en niet met liquidaties, gaat dan ook niet op.

De overeenkomende hoogte van de uitbetalingen van 100.000 euro (waarbij mede de term ‘hitter’ wordt gebruikt) op of daags na de liquidaties van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] wijzen er op dat de criminele organisatie hierbij telkens betrokken is geweest. Nu uit de administratie verder blijkt dat ‘ [bijnaam] ’ 100.000 euro betaald krijgt in verband met de liquidatie van [slachtoffer 3] in april 2014 en hij ook degene is die de dag na de poging tot moord dan wel zware mishandeling van [slachtoffer 3] 50.000 euro betaald krijgt, duidt dit er op dat ook deze beide geweldsfeiten, anders dan de verdediging bepleit, vanuit de(zelfde) criminele organisatie zijn gepleegd.

3.1.2 Overeenkomende gebruikte technische middelen

De bakenapparatuur

Zoals uit dit vonnis zal blijken, hebben voorverkenningen en/of observaties plaatsgevonden gericht op [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (onderzoek Brand) en [slachtoffer 3] (onderzoek IJsberg). Tijdens deze voorverkenningen en bij de observaties is gebruik gemaakt van dezelfde technische hulpmiddelen.

Werking bakenapparatuur en mastgegevens

Voor een beter begrip van de werking van bakenapparatuur en de betekenis van mastgegevens zet de rechtbank dit eerst kort uiteen.

Bakenapparatuur of volgapparatuur werkt - kort gezegd - als volgt. Een bakenset bestaat uit GPS-trackers (bakens) en een bakentelefoon. Een baken en bakentelefoon maken allebei gebruik van een simkaart, gekoppeld aan een telefoonnummer. Ook aan een baken is een IMEI-nummer verbonden. Via het telefoonnetwerk stuurt het baken sms-berichten naar de bakentelefoon. In deze berichten worden de GPS-coördinaten van het baken gegeven, waardoor de gebruiker van de bakentelefoon kan zien waar het baken zich bevindt.

De redengevende feiten en omstandigheden in deze zaak bestaan grotendeels uit historische verkeersgegevens van verschillende bakens, bakentelefoons en telefoonnummers. Deze gegevens bevatten informatie over zendmasten die voornoemde apparatuur op bepaalde tijdstippen aanstraalt en geven daarmee een ruwe inschatting van hun locatie. Op grond van de gegevens dat een baken, bakentelefoon of telefoonnummer op een bepaald tijdstip een specifieke zendmast aanstraalt, kan dus (slechts) worden vastgesteld dat deze zich op dat moment kennelijk bevindt in het gebied waarover de zendmast dekking geeft. Uit de coördinaten die een baken aan een bakentelefoon verzendt, kan wel nauwkeurig worden afgeleid waar het baken zich op dat moment bevond.

Overeenkomsten tussen de gebruikte bakenapparatuur in onderzoek IJsberg en Brand

Op 3 januari 2014 zijn in één Nokia-telefoon achtereenvolgens verschillende simkaarten geactiveerd. Het gaat om (onder andere) de simkaarten met telefoonnummers [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ), [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] ) en [telefoonnummer 3] (hierna: [telefoonnummer 4] ).

Simkaart [telefoonnummer 1] is op 3 januari 2014 gebruikt in het baken met IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] (hierna: [IMEI-nummer 1] ). Dit baken is, zoals hierna wordt vastgesteld, op 18 en 19 januari 2014 actief bij voorverkenningen in onderzoek Brand en van 11 tot en met 19 februari 2014 gebruikt bij de observatie van [slachtoffer 3] in onderzoek IJsberg. Het baken stuurde deze dagen (dus zowel in onderzoek Brand als in onderzoek IJsberg) berichten naar de bakentelefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] (hierna: [IMEI-nummer 2] ).

Daarnaast zit simkaart [telefoonnummer 1] op 15 januari 2014 in het baken met IMEI-nummer [IMEI-nummer 3] (hierna: [IMEI-nummer 3] ). Dit baken is, zoals hierna wordt vastgesteld, op 15 januari 2014 in onderzoek Brand actief tijdens een voorverkenning. Het baken stuurt die dag berichten naar de bakentelefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] (hierna: [IMEI-nummer 4] ). Bakentelefoon [IMEI-nummer 4] is (ook) eerder op 6 en 7 januari 2014 gebruikt bij het volgen van [slachtoffer 3] in onderzoek IJsberg. Op deze 6 en 7 januari 2014 zit in bakentelefoon [IMEI-nummer 4] de simkaart [telefoonnummer 2] en in het baken met IMEI-nummer [IMEI-nummer 5] (hierna: [IMEI-nummer 5] ), waar de bakentelefoon mee correspondeert, de simkaart [telefoonnummer 4] . Deze simkaarten zijn, net als simkaart [telefoonnummer 1] , allemaal op 3 januari 2014 in eenzelfde Nokia geactiveerd.

Kort gezegd waren bij de voorverkenningen en/of observaties van de slachtoffers het baken [IMEI-nummer 1] en bakentelefoons [IMEI-nummer 2] en [IMEI-nummer 4] in gebruik. Een aantal, in relatie tot deze bakenapparatuur, gebruikte simkaarten zijn in eenzelfde Nokia geactiveerd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze bakenapparatuur in handen is geweest van dezelfde groep personen.

Voor de vaststelling dat de geweldsfeiten gericht op [slachtoffer 3] vanuit de(zelfde) criminele organisatie zijn gepleegd, bieden voornoemde gegevens (ook) steun. De drie simkaarten ( [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 4] ) hebben allemaal op enig moment in bakenapparatuur gezeten die ofwel bij de observaties van [slachtoffer 3] op 6 en 7 januari 2014 (voorafgaand aan de poging tot moord dan wel zware mishandeling) ofwel in de periode 11 tot en met 19 februari 2014 (voorafgaand aan de moord) zijn gebruikt.

De TomTom

Bij de doorzoeking van de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] , de vaste verblijfplaats van de verdachte zoals hij zelf op zitting verklaart, is een TomTom aangetroffen. Als de TomTom aanstaat, worden in ‘logs’ per seconde de gps-coördinaten, straatnaam en het nummer vastgelegd van de locatie waar de TomTom zich bevond.

Uit dit vonnis zal blijken dat deze TomTom is gebruikt ten behoeve van voorverkenningen gericht op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Ook is met deze TomTom (een deel van) de uiteindelijke vluchtroute van de schutter van de liquidatie van [slachtoffer 3] gereden en is langs het woonadres en werkadressen van [slachtoffer 3] gereden.

3.1.3 Conclusie

Uit de overeenkomende hoogte van genoteerde uitbetalingen op of daags na de schietincidenten en het gebruik van dezelfde TomTom en bakenapparatuur (mede in relatie tot de activatie van gebruikte simkaarten) bij de voorverkenningen en/of observaties van de slachtoffers, leidt de rechtbank af dat dezelfde criminele organisatie, die ten tijde van onderzoek 26Koper actief was, eind 2013 en 2014 reeds bestond en hiervoor verantwoordelijk is. Het verweer van de verdediging dat niet is vast te stellen dat de criminele organisatie uit 26Koper achter de schietincidenten op [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] zit, nu in het dossier meerdere motieven en/of dadergroepen naar voren komen, slaagt, gelet op bovenstaande bevindingen, niet.

3.2 De positie van de verdachte binnen de organisatie

Onder de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’ staan (onder andere) in de eerder genoemde administratie aangetroffen bij [medeverdachte 1] in de maanden januari tot en met maart 2014 meerdere betalingen genoteerd, zoals:

10-1, 218d, binnen, [bijnaam verdachte] ;

10-1, 10d, binnen, [bijnaam verdachte] ;

11-1, 125d, binnen, [bijnaam verdachte];

30-1, 4,5d, uit, verstopplek rijder, piz/dev/ [bijnaam verdachte] ;

8-2, 2,5d, uit aan [bijnaam verdachte] voor hit swa;

15-2, 32,9d, uit aan [bijnaam verdachte] voor strijkijzer;

22-2, 25d, uit aan [bijnaam verdachte] voor waggie;

13-3, 17,2d, uit aan [bijnaam verdachte] , strijkijzer.

Door het hof is in onderzoek 26Koper vastgesteld, dat verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie en dat [bijnaam verdachte] de bijnaam van de verdachte is. De rechtbank gaat - mede nu deze identificatie tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen onderwerp van discussie is geweest - in dit vonnis uit van juistheid van deze vaststelling. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij zich óók al voor 2014 bezighield met drugs en dat daar ook wel eens wapens bij betrokken waren.

De rechtbank stelt, op grond van de verklaring van de verdachte, de financiële administratie van [medeverdachte 1] en de na te noemen bevindingen met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de observaties van [slachtoffer 3] in december 2013, vast dat de verdachte eind 2013 en 2014 al deelnam aan de criminele organisatie die verantwoordelijk is voor de geweldsfeiten op [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] .

Zoals eerder benoemd, stelt de rechtbank vast dat de organisatie zich, naast drugshandel, ook richtte op liquidaties gelet op het gehanteerde jargon, zoals het woord ‘hit’, in de administratie. Dit geldt eveneens voor de verdachte zelf. Met de betaling aan de verdachte in februari voor een ‘hit’, wordt zijn verklaring dat hij zich alleen met drugshandel bezig hield, weerlegt.

Zoals eerder overwogen is de enkele vaststelling dat de verdachte in de tenlastegelegde perioden deelnam aan de criminele organisatie die verantwoordelijk is voor de schietincidenten op [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] onvoldoende voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte bij deze feiten. Daarvoor dient de verdachte ook een verwijtbare bijdrage aan de tenlastegelegde feiten te hebben geleverd. De rechtbank zal, na de vaststelling van de feiten en omstandigheden, uitleggen waarom dit voor (de voorbereiding van) de moord op [slachtoffer 4] (feit 1 en feit 2), de poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 3] (feit 3) en de moord op [slachtoffer 3] (feit 4) het geval is.

3.3 Zaaksdossier IJsberg (feiten 3, 4 en 5)

Poging tot moord dan wel zware mishandeling en de moord op [slachtoffer 3]

Op 11 januari 2014 krijgt de politie een melding dat in de [straat] in [woonplaats] een man is beschoten en daarbij in zijn been is geraakt. Ter plaatse treffen de verbalisanten een man aan met een schotwond aan de binnenzijde van zijn rechterbeen. De man, [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) verklaart dat hij de [straat] inreed, zijn auto parkeerde en in de richting van zijn woning liep. Vervolgens zag hij een man met een pistool in zijn hand, dat de man op hem richtte. [slachtoffer 3] hoorde één schot en zag de man weglopen. Vervolgens zag hij bloed, voelde pijn en merkte dat hij geraakt was.

Op 14 april 2014 krijgt de politie opnieuw een melding over een schietpartij in de [straat] in [woonplaats] . Ter plaatse treffen de verbalisanten [slachtoffer 3] op de grond aan. [slachtoffer 3] heeft een rond gat in zijn gelaat, meerdere gaten in zijn hals en verliest een grote hoeveelheid bloed. Hij wordt overgebracht naar het ziekenhuis, waar hij later die middag komt te overlijden. Na onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 3] , stelt het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) vast dat [slachtoffer 3] is overleden aan de gevolgen van meerdere schotverwondingen in zijn hoofd en romp.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis worden de poging tot moord dan wel de poging tot zware mishandeling op 11 januari 2014 en de moord op 14 april 2014 hierna aangeduid als de schietincidenten dan wel geweldsfeiten op [slachtoffer 3] .

In het dossier is vermeld dat op 9 december 2013 een partij drugs in de haven van Rotterdam in beslag is genomen. Uit PGP-berichten die op de telefoon van [slachtoffer 3] zijn aangetroffen, kan worden afgeleid dat [slachtoffer 3] verantwoordelijk werd gehouden voor de inbeslagname van deze drugspartij (pagina’s 448 tot en met 454 van IJS2). De reden voor de schietincidenten op [slachtoffer 3] lijkt dan ook een conflict in de drugsmilieu te zijn geweest. In het dossier wordt niet alleen benoemd dat de criminele organisatie, waar de verdachte deel van uitmaakte, achter de schietincidenten van [slachtoffer 3] zit, maar worden ook andere (mogelijke) dader(groepen) genoemd. Zoals eerder in dit vonnis is overwogen, oordeelt de rechtbank (op basis van de betalingen in de administratie en de gebruikte bakenapparatuur) echter dat de criminele organisatie waar de verdachte deel vanuit maakte, voor beide geweldsfeiten op [slachtoffer 3] verantwoordelijk is geweest. Dat ook (een) ander(en) dan de criminele organisatie een motief zouden hebben, maakt dit niet anders.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en), betrokken is geweest bij de poging tot moord dan wel de poging tot zware mishandeling op 11 januari 2014 (feit 3) en (de voorbereiding van) de moord op 14 april 2014 op [slachtoffer 3] (feiten 4 en 5).

3.3.1 De standpunten

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat feit 3, primair (medeplegen van de poging tot moord), feit 4, primair (medeplegen van de moord) en feit 5 (medeplegen van de voorbereidingshandelingen op de moord) bewezen kunnen worden verklaard.

De verdediging verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte bij deze feiten betrokken is geweest.

De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.2 en 3.3.3.

3.3.2 Vaststelling van de feiten en omstandigheden

De rechtbank komt hieronder tot de vaststelling dat de verdachte, samen met anderen, bij voorverkenningen en observaties van [slachtoffer 3] betrokken is geweest. Bij deze observaties en voorverkenningen is gebruik gemaakt van bakenapparatuur en van de TomTom, die op 7 augustus 2014 bij een doorzoeking van de woning aan de [adres] in [woonplaats] is gevonden.

Voor de betrokkenheid van de verdachte bij de observaties en voorverkenningen is relevant dat de registraties van de bezitter van de bakenapparatuur en de TomTom op meerdere dagen overeenkomen met de registraties van een Peugeot met kenteken [kenteken] (hierna: de Peugeot). Deze informatie wijst er namelijk op dat de Peugeot, de bakenapparatuur en/of de TomTom op die dagen gebruikt zijn door dezelfde persoon. De rechtbank komt in paragraaf 3.3.2.1. tot de vaststelling dat de verdachte de gebruiker van deze Peugeot is geweest. Dit maakt dat de rechtbank bij overeenkomende registraties van de Peugeot en de technische hulpmiddelen tot de conclusie komt dat de verdachte (ook) de gebruiker van de bakenapparatuur en/of de TomTom is geweest. Op momenten dat de registraties van de Peugeot niet passen bij de registraties van de technische hulpmiddelen, gaat de rechtbank ervan uit dat (een) onbekende derde(n) uit de criminele organisatie betrokken is of zijn bij de voorverkenningen en de observaties van [slachtoffer 3] .

3.3.2.1 De verdachte was de gebruiker van de Peugeot met kenteken [kenteken]

Uitleg werking VID-registraties

De rechtbank leidt de betrokkenheid van de verdachte af uit de registraties van de Peugeot van de Verkeersinformatie Dienst (VID). Voor een beter begrip van de betekenis van deze registraties, zet de rechtbank dit eerst kort uiteen.

De VID kan door middel van bluetooth-kastjes langs de weg verkeerstromen in kaart brengen. Deze bluetooth-kastjes detecteren de MAC-adressen van passerende voertuigen.

Als een voertuig langs een bluetooth-kastje rijdt, wordt het MAC-adres van dat voertuig geregistreerd (hierna: VID-registratie). Aan de hand van de VID-registraties van een bepaald voertuig kunnen de locatiegegevens van het desbetreffende voertuig worden achterhaald. Daarbij dient opgemerkt te worden dat VID-registraties geen totaal overzicht geven van de verplaatsingen van een voertuig, omdat dit afhankelijk is van waar de VID-kastjes staan.

Het MAC-adres van de Peugeot is [MAC-adres] .

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de gebruiker van de Peugeot is geweest. Dat baseert de rechtbank op de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

De verdachte was op meerdere momenten de bestuurder van de Peugeot. Hij is op 12 juli 2013, 16 december 2013 en 19 januari 2014 als bestuurder van de Peugeot door de politie staande gehouden. Op 18 januari 2014 is een grijze Peugeot, type 508, met het kenteken

[kenteken] op camerabeelden van het benzinestation de Total in Amersfoort te zien. Uit onderzoek volgt dat slechts één kenteken past bij het deels zichtbare kenteken in combinatie met het type en de kleur van de personenauto, te weten [kenteken] . Op de camerabeelden van het benzinestation is de bestuurder van de personenauto te zien. De verdachte bekent dat hij op de camerabeelden van de Total te zien is. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte ook op 18 januari 2014 de bestuurder van de Peugeot is geweest. Ook op 19 januari 2014 omstreeks 00:30 uur is verdachte gezien op de bestuurdersplaats van de Peugeot.

Voor de vaststelling dat de verdachte de gebruiker van de Peugeot was, acht de rechtbank ook de volgende berichten van belang:

27 oktober 2015

Verzender
Ontvanger
Inhoud
[B] [medeverdachte 3]
[D] [E]
Popo (de rechtbank begrijpt: de politie) zijn bij me zwager geweest over [bijnaam verdachte] , over die waggie (de rechtbank begrijpt: de auto) die [bijnaam verdachte] had en of ie hem kent en al

17 november 2015

Verzender
Ontvanger
Inhoud
[B] [medeverdachte 3]
[D] [E]
K heb u toen ze bij hem zijn geweest vertelt wat ie heeft gezegd over die auto. Hij heeft gezegd dat die auto van hem was. Hij heeft in [bijnaam verdachte] voordeel gepraat.
[B] [medeverdachte 3]
[D] [E]
Ja k weet wat u bedoelt, hij heeft gezegd dat die auto van hem is. Hij moest zo we'll praten sir anders hadden ze hem klem gepraat. Hij heeft gezegd dat ie [bijnaam verdachte] nooit zag alleen met kinderfeestjes, want ze weten is auto van [bijnaam verdachte] . Maar kunnen ze niet bewijzen.

21 november 2015

Verzender
Ontvanger
Inhoud
[B] [medeverdachte 3]
[D] [E]
Verder over die auto: momenteel ziet hij geen gevaar, ze willen die auto linken aan [bijnaam verdachte] maar zoals het er uit ziet is dat nog lastig omdat zwager heeft gezegt is mijn auto ik leen m uit aan iedereen. Als hij had gezegd ik heb hem aan [bijnaam verdachte] uitgeleend dan zou het er anders uit zien, ik zei mij zwager wist niet dat de auto van [bijnaam verdachte] was die hij op naam had dus dat is voordeel!

In deze berichten wordt meerdere malen gesproken over de auto/waggie van ‘ [bijnaam verdachte] ’/’ [bijnaam verdachte] . Zoals hiervoor overwogen is ‘ [bijnaam verdachte] ’ de bijnaam van de verdachte. In deze berichten wordt dus over een auto en over de verdachte gesproken.

Voor de interpretatie van de berichten is van belang dat de Peugeot in de periode van 19 april 2013 tot en met 21 februari 2014 op naam van [F] stond. Dit is de zwager van de verdachte. Op 27 oktober 2015 is [F] door de politie gehoord over het gebruik van de Peugeot. Op dezelfde dag stuurt [medeverdachte 3] een bericht naar [E] over dat de politie bij zijn zwager is geweest over de waggie van [bijnaam verdachte] . Evident is dan ook dat over de Peugeot wordt gesproken, die (blijkens de berichtgeving) van de verdachte is.

Verder weegt mee dat in de periode van 19 december 2013 tot 14 april 2014 de meeste registraties van de Peugeot in [woonplaats] zijn geweest, terwijl [F] woonachtig is in [woonplaats] . Daarbij heeft de Peugeot op verschillende dagen zowel startregistraties en eindregistraties in [woonplaats], hetgeen past bij dat de verblijfplaats van de gebruiker van de Peugeot in [woonplaats] is. Uit de verklaring van de verdachte op de zitting volgt dat zijn vaste verblijfplaats in voornoemde periode op de [adres] in [woonplaats] was.

Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat op 22 februari 2014 in de administratie van de criminele organisatie een betaling aan [bijnaam verdachte] (de verdachte) te zien is met als omschrijving ‘waggie’, en dat de Peugeot een dag daarvoor, op 21 februari 2014, op naam van een andere persoon is overgeschreven, en dus is verkocht.

De verdachte verklaart op de zitting de Peugeot in de tenlastegelegde periode gebruikt te hebben, maar geeft aan niet de enige gebruiker te zijn geweest. De verdediging voert aan dat de mogelijkheid bestaat dat anderen, naast de verdachte, ook in de ten laste gelegde periode gebruik hebben gemaakt van de Peugeot. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de gebruiker van de Peugeot is geweest, en dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Peugeot in die periode ook door anderen werd gebruikt. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat verdachte in de tenlastegelegde periode de enige gebruiker van de Peugeot was. De verdediging heeft in zijn algemeenheid gesteld dat ook anderen de Peugeot gebruikt kunnen hebben, maar heeft deze enkele stelling niet nader onderbouwd of geconcretiseerd. De rechtbank verwerpt daarom dat verweer.

3.3.2.2 Observaties van [slachtoffer 3] en voorverkenningen

11 tot en met 19 februari 2014: TomTom, baken [IMEI-nummer 1] en bakentelefoon [IMEI-nummer 2]

De rechtbank stelt hieronder vast dat de verdachte, samen met anderen, in de periode van 11 tot en met 19 februari 2014 bij de voorverkenningen en observaties van [slachtoffer 3] betrokken is geweest. Deze observaties en voorverkenningen hebben bestaan uit het (digitaal en fysiek) observeren van [slachtoffer 3] , het verrichten van voorverkenningen bij het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] en het verkennen van de vluchtroute vanaf de locatie waar [slachtoffer 3] is neergeschoten (zijn woonadres) naar de locatie waar de vluchtscooter in brand is gestoken (het Potterbos). De rechtbank komt tot deze conclusie op basis van technische gegevens van bakenapparatuur en een TomTom, die in onderstaande paragrafen (met bijbehorende tussenconclusies) worden besproken.

Observaties met de bakenapparatuur (bakentelefoon [IMEI-nummer 2] en baken [IMEI-nummer 1] )

In de periode van 11 februari 2014 tot en met 19 februari 2014 correspondeert baken [IMEI-nummer 1] met bakentelefoon [IMEI-nummer 2] .

In de nacht van 11 februari 2014 gebruiken zowel bakentelefoon [IMEI-nummer 2] als het baken [IMEI-nummer 1] zendmasten op de route naar [woonplaats] , de woonplaats van [slachtoffer 3] . Zo stralen de bakentelefoon en het baken om 00:58 uur aan bij Werkendam. Om 01:45 uur straalt de bakentelefoon aan in de omgeving van Bergen op Zoom en om 01:47 uur ook het baken.

Van 01:50 uur tot 02:04 uur gebruiken het baken en de bakentelefoon allebei zendmasten in Steenbergen. Hierna gebruiken de bakentelefoon en het baken zendmasten op verschillende plaatsen. Zo straalt het baken om 02:20 uur en 02:50 uur (nog steeds) in Steenbergen aan, terwijl de bakentelefoon om 02:28 uur in Zevenbergen en om 02:57 in Meerkerk aanstraalt.

Het telefoonnummer van [slachtoffer 3] is [telefoon slachtoffer 3] (hierna: het telefoonnummer van [slachtoffer 3] ). Vanaf 09:15 uur blijkt dat het telefoonnummer van [slachtoffer 3] en het baken zendmasten in dezelfde omgeving van elkaar gebruiken. Zo straalt om 09:15 uur het telefoonnummer van [slachtoffer 3] uit in Halsteren en het baken in Lepelstraat. Lepelstraat is een dorp dat direct grenst aan Halsteren. Om 10:58 uur gebruiken zowel het baken als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten in Bergen op Zoom. Om 12:07 uur stralen het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] allebei weer aan in Steenbergen. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat in de nacht van 11 februari 2014 een baken onder de auto van [slachtoffer 3] is geplaatst en de volgende ochtend dus onder de auto van [slachtoffer 3] zat.

In de opvolgende dagen is te zien dat baken [IMEI-nummer 1] en de telefoon van [slachtoffer 3] ook op overeenkomende tijdstippen in dezelfde steden of dorpen aanstralen. Zo gebruiken op 12 februari 2014 zowel de telefoon van [slachtoffer 3] als het baken rond 07:00 uur zendmasten in Steenbergen. De telefoon van [slachtoffer 3] straalt vervolgens om 11:28 uur aan bij Lepelstraat en het baken om 11:29 uur ook. Om 11:48 uur en om 11:49 uur gebruiken (respectievelijk) de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken weer een zendmast in Steenbergen.

Ook in de ochtend van 13 februari 2014 stralen zowel de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken aan in Steenbergen. De telefoon van [slachtoffer 3] gebruikt om 12:03 uur een zendmast in Barendrecht en het baken om 12:06 uur ook. Om 14:46 uur en om 14:47 uur stralen (respectievelijk) de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken allebei aan bij Willemstad. Het baken gebruikt om 15:53 uur een zendmast in Steenbergen en de telefoon van [slachtoffer 3] om 15:58 uur. Dit is ook het geval op 14 februari 2014, waarbij de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken (respectievelijk) om 10:28 uur en om 10:31 uur een zendmast in Steenbergen aanstralen.

Op 15 februari 2014 stralen de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken om 11:23 uur aan in Rotterdam. Het baken gebruikt om 13:29 uur een zendmast bij Barendrecht en de telefoon van [slachtoffer 3] om 13:30 uur. Ook in de nacht van 16 februari 2014 (rond 00:30 uur) stralen het baken en de telefoon van [slachtoffer 3] op dezelfde locatie aan, te weten in Steenbergen.

Op 17 februari 2014 stralen de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken om 9:39 uur en om 11:24 uur allebei in Steenbergen aan. Dit is ook het geval op 18 februari 2014. Dan gebruiken het baken en de telefoon van [slachtoffer 3] allebei om 10:15 uur en (respectievelijk) om 17:02 uur en 17:04 uur zendmasten in Steenbergen.

Op 19 februari 2014 om 00:30 uur en 00:31 uur maken de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken (respectievelijk) gebruik van een zendmast aan de [straat] in [woonplaats] . Op dat moment zijn het baken en de telefoon van [slachtoffer 3] dus (nog steeds) in dezelfde omgeving van elkaar. Het baken blijft tot 02:18 uur gebruik maken van de voornoemde zendmast. Vanaf 02:01 uur tot 02:18 uur maakt ook de bakentelefoon gebruik van deze zendmast. Vervolgens heeft het baken om 02:18 uur zijn laatste registratie. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat op dit moment het baken onder de auto van [slachtoffer 3] is verwijderd en uit gezet.

Tussenconclusie

Op 11 februari 2014 is het baken onder de auto van [slachtoffer 3] geplaatst en op 19 februari 2014 weer verwijderd. Van 11 tot en met 19 februari 2014 is

met behulp van het baken informatie verkregen over de dagelijkse patronen en (regelmatige) verblijfplaatsen van [slachtoffer 3] .

Voorverkenningen met de TomTom

12 februari 2014

Voorverkenningen werkadressen [slachtoffer 3]

In de TomTom staan als recente bestemmingen de [adres] in [plaats] en de [adres] in [plaats] opgeslagen. Het kantoor van [slachtoffer 3] is gevestigd op het adres de [adres] in [plaats] . [straat] is een zijstraat van de [straat] . Op 12 februari 2014 rijdt de TomTom door [straat] in [plaats] , en daarmee ook langs het kantoor van [slachtoffer 3] .

De politie relateert dat de TomTom op 12 februari 2014 ook langs de [bedrijf 1] is gereden. [slachtoffer 3] is de eigenaar van de [bedrijf 1] . Het adres van de [bedrijf 1] is [adres] in [plaats] en bevindt zich volgens de politie op hetzelfde industrieterrein als het kantoor van [slachtoffer 3] . Uit de triploggegevens volgt dat de TomTom over de [straat] is gereden om vervolgens rechtsaf te slaan naar de [straat] . Uit de afbeelding in het dossier leidt de rechtbank af dat de [straat] op een gegeven moment splitst in twee andere straten, de [straat] en de [straat] . Daarbij is de [straat] de doorgaande weg en de weg naar rechts de [straat] . Dit maakt dat de rechtbank ook tot de conclusie komt dat op 12 februari 2014 met de TomTom langs de [bedrijf 1] is gereden.

Voorverkenningen van de vluchtroute

In de TomTom staat ook als recente bestemming de Moerstraatsebaan in Moerstraten opgeslagen. Tussen de Moerstraatsebaan en Luienhoekweg ligt het Potterbos, waar op de dag van de moord op [slachtoffer 3] een uitgebrande scooter is aangetroffen.

Meerdere getuigen verklaren dat de schutter na de moord op [slachtoffer 3] op een scooter is weggereden. Zo verklaart een buurtbewoonster dat zij op de dag van de moord een man op een scooter in de brandgang voor haar woning zag zitten. Omstreeks 9:50 uur stapte de man van de scooter, haalde een pistool uit zijn zak en liep in de richting van de auto van [slachtoffer 3] . De getuige hoorde vervolgens vier of vijf schoten en zag de man op een scooter wegrijden. Om 10:18 uur meldt een getuige een verdachte situatie bij het Potterbos en omstreeks 10:25 uur belt deze getuige (opnieuw) naar de politie om te melden dat er een scooter die in brand staat in het Potterbos in Moerstraten. De politie gaat ervan uit dat de uitgebrande scooter de vluchtscooter van de schutter van de moord op [slachtoffer 3] is geweest.

De politie heeft daarom de mogelijke route(s) van de locatie waar [slachtoffer 3] is neergeschoten (zijn woonadres) naar de locatie waar de (vlucht)scooter in brand is gestoken (het Potterbos) onderzocht. De politie beschrijft dat er twee routes zijn vanaf het woonadres van [slachtoffer 3] naar het Pottersbos: een korte route en een langere route, waarbij de meest logische route de korte route zou zijn. De korte route bedraagt 12 minuten en loopt vanaf het Potterbos via de [straat] in Moerstraten naar Steenbergen. De langere route bedraagt 14 minuten en loopt (parallel) langs de A4 in de richting van Steenbergen.

De politie relateert dat de gereden routes van de TomTom op 12 februari 2014 (deels) overeenkomen met deze twee routes. Zo is de TomTom op de A4 bij de afslag Bergen op Zoom Noord, in de richting van Steenbergen, aangezet. De TomTom verplaatst zich over de Moerstraatsebaan, waar gekeerd wordt, en de TomTom verplaatst zich vervolgens parallel aan de A4 (de rechtbank begrijpt: de langere route). Hierna keert de TomTom opnieuw en wordt tot aan de Moerstraatsebaan dezelfde weg terug gevolgd. De TomTom verplaatst zich vervolgens over de Moerstraatsebaan in de richting van Moerstraten, waarbij de TomTom langs het Potterbos beweegt. Hierna verplaatst de TomTom zich vanaf de [straat] door de plaats Moerstraten in de richting van Steenbergen (de rechtbank begrijpt: de korte route). Vervolgens rijdt de TomTom, zoals hierboven beschreven, langs voornoemde werkadressen van [slachtoffer 3] .

Tussenconclusie

Voornoemde feiten, in samenhang bezien, maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de uitgebrande scooter, die op de dag van de moord op [slachtoffer 3] in het Potterbos is aangetroffen, de vluchtscooter van de schutter is geweest. Daarmee heeft de gebruiker van de TomTom op 12 februari 2014 niet alleen voorverkenningen verricht bij de werkadressen van [slachtoffer 3] , maar ook mogelijke vluchtroutes van Steenbergen naar het Potterbos verkend.

19 februari 2014

De telefoon van [slachtoffer 3] gebruikt op deze dag alleen zendmasten in Steenbergen.

Uit de triploggegevens volgt dat de TomTom zich om 10:30 uur in de [straat] in [plaats] bevindt. Vanaf 10:40 uur bevindt de TomTom zich ter hoogte van de [straat] in [plaats] . [slachtoffer 3] woonde op de [adres] in [woonplaats] . Vervolgens verplaatst de TomTom zich naar de kruising van de [straat] met [straat] in [plaats] . Zoals hiervoor vermeld, is het kantoorpand van [slachtoffer 3] op de [adres] gevestigd.

De TomTom bevindt zich op 19 februari 2014 vier uur lang in de omgeving van het kantoorpand van [slachtoffer 3] . In die tijd rijdt de TomTom meerdere malen langs het kantoorpand en meerdere rondjes in de omgeving van het kantoorpand. Zo staat de TomTom van 10:46 uur tot en met 11:20 uur stil op de kruising van de [straat] met [straat] , waarna de TomTom om 11:21 uur voor de eerste keer door [straat] rijdt. Hierna rijdt de TomTom rondjes in de omgeving van [straat] . Van 11:30 uur tot 11:55 uur stopt de TomTom opnieuw op de [straat] . Vervolgens rijdt de TomTom weer een rondje in de omgeving, waarna hij weer op de [straat] stilstaat. Om 12:19 uur rijdt de TomTom opnieuw door [straat] . Hierna staat de TomTom tot 13:15 uur weer stil op de [straat] . De TomTom rijdt voor de derde keer door [straat] en stopt vervolgens op de kruising van de [straat] met [straat] . Hier staat de TomTom tot 14:21 uur stil. Vervolgens rijdt de TomTom weer rondom [straat] , waarna hij voor de vierde keer door [straat] rijdt. Van 14:32 uur tot 15:05 uur staat de TomTom weer stil op de [straat] .

De TomTom verplaatst zich vervolgens in de richting van de [straat] in [woonplaats] . Zo rijdt de TomTom om 15:10 uur over de [straat] . De [straat] is een zijstraat van de [straat] . Om 15:13 uur rijdt de TomTom [woonplaats] uit en om 15:18 uur rijdt de TomTom over de [straat] richting Moerstraten. De politie relateert dat de TomTom hierbij vlak langs het Potterbos rijdt.

Tussenconclusie

Op 19 februari 2014 bevindt de TomTom zich urenlang in de omgeving van het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] . Vervolgens wordt over de [straat] in Moerstraten gereden, vlak langs het Pottersbos. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de gebruiker van de TomTom niet alleen voorverkenningen bij het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] heeft verricht, maar ook mogelijke vluchtroutes van [woonplaats] naar het Potterbos heeft verkend.

De gebruiker(s) van de bakenapparatuur en de TomTom

In de voorgaande paragraaf heeft de rechtbank vastgesteld dat observaties en verkenningen zijn verricht met behulp van bakenapparatuur en een TomTom. De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is wie de gebruiker(s) van de bakenapparatuur en/of de TomTom is/zijn geweest in de periode van 11 februari 2014 tot en met 19 februari 2014.

De standpunten

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat de verdachte in deze periode de gebruiker van de bakenapparatuur en de TomTom is geweest. Daarbij voert het Openbaar Ministerie aan dat de registraties van de technische hulpmiddelen overeenkomen met de registraties van de Peugeot. De verdachte is de gebruiker van de Peugeot, waardoor hij – gelet op deze overeenkomende registraties – ook de gebruiker van de bakentelefoon en de TomTom moet zijn geweest.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat de Peugeot, de TomTom en de bakentelefoon door eenzelfde persoon gebruikt werden. Zo zijn er meerdere momenten, waarop de registraties van de technische hulpmiddelen niet overeenkomen met de registraties van de Peugeot, en daarmee niet in gebruik van dezelfde perso(o)n(en) kunnen zijn. Over de momenten dat de registraties wel overeenkomen, merkt de verdediging op dat deze registraties geen verband houden met de voorverkenningen en observaties van [slachtoffer 3] . Het is daarom mogelijk dat de registraties toevalligerwijs overeenkomen, terwijl de Peugeot en de technische hulpmiddelen niet in handen van dezelfde persoon zijn.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt hieronder tot de vaststelling dat de registraties van de bakentelefoon en/of de TomTom op 11, 12, 17 en 18 februari 2014 overeenkomen met de registraties van de Peugeot. Deze registraties komen op meerdere dagen en op meerdere momenten met elkaar overeen, waarbij de overeenkomende registraties ook in onderlinge samenhang met elkaar moeten worden bezien. Dit maakt dat, anders dan de verdediging stelt, geen sprake (meer) kan zijn van toevallige overeenkomstige registraties tussen de technische hulpmiddelen en de Peugeot. Daarbij weegt ook mee dat er op deze dagen (telkens) geen registraties zijn die uitsluiten dat de Peugeot, de bakentelefoon en/of de TomTom door eenzelfde persoon zijn gebruikt. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de Peugeot, de bakentelefoon en/of de TomTom op deze dagen door eenzelfde persoon zijn gebruikt. Het klopt dat verkregen locatiegegevens van de Peugeot niet precies overeen komen met locatiegegevens van bakentelefoons. Dat is ook niet mogelijk, omdat de locaties van bakentelefoons alleen globaal bepaald kunnen worden aan de hand van mastgegevens én de bluetooth-kastjes die de aanwezigheid van de Peugeot registreren beperkt aanwezig waren. Het totale beeld dat de technische gegevens schetsen past echter volledig bij de Peugeot die meerdere keren vertrekt bij de woning van de verdachte en een bakentelefoon die ook op dat moment daar vertrekt. Gelet op de veelheid van momenten is de kans op toeval verwaarloosbaar klein en daarmee een onvoldoende aannemelijk scenario. Gelet op de eerdere vaststelling dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de (vaste) gebruiker van de Peugeot is geweest, komt de rechtbank ook tot de conclusie dat de verdachte op 11, 12, 17 en 18 februari 2014 de gebruiker van de bakentelefoon en/of de TomTom is geweest.

Naast de overeenkomende registraties van de Peugeot, de TomTom en de bakentelefoon [IMEI-nummer 2] , zijn er meer aanwijzingen dat de verdachte de gebruiker van bakentelefoon [IMEI-nummer 2] is geweest. Zo volgt uit de administratie van [medeverdachte 1] dat er op 18 februari 2014 een bedrag van 4.6d (de rechtbank begrijpt € 4.600) uitgaat aan [bijnaam verdachte] voor 2 PGP’s en een foto telf. Volgens de politie worden hiermee PGP-telefoons en een telefoon bedoeld. Uit zendmastgegevens blijkt dat de bakentelefoon op 18 februari 2014 een zendmast dichtbij het adres [adres] in [plaats] gebruikt. Op dit adres is [bedrijf 2] B.V. gevestigd. De bakentelefoon straalt in de relevante periode verder niet aan in Arnhem, de rechtbank ziet daarom een betekenisvol verband tussen de betaling aan [bijnaam verdachte] en de aanwezigheid van de bakentelefoon in Arnhem. Het is een feit van algemene bekendheid dat in spyshops PGP-telefoons te koop zijn. Uit het dossier volgt ook dat leden van de criminele organisatie, waaronder de verdachte, gebruik maakten van de diensten van de [bedrijf 2] . Deze betaling aan de verdachte voor (PGP)telefoons, waarvan het aannemelijk is dat deze bij [bedrijf 2] worden verkocht, vormt, naast de overeenkomende registraties, een aanwijzing voor het bezit van de bakentelefoon van de verdachte op 18 februari 2014. Ook merkt de rechtbank in dit verband op dat, zoals uit onderzoek Brand zal blijken, de verdachte ook op dagen in januari 2014 als de gebruiker van deze bakentelefoon kan worden aangemerkt.

Locatiegegevens van de bakenapparatuur en de TomTom

11 februari 2014

Op 11 februari 2014 komen de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon en de registraties van de Peugeot op meerdere momenten met elkaar overeen. Zo straalt de bakentelefoon om 14:40 uur en om 14:55 uur aan in IJsselstein. Om 14:46 uur, 14:51 uur en om 14:59 uur heeft de Peugeot ook registraties in IJsselstein. De bakentelefoon gebruikt om 17:44 uur een zendmast in Utrecht en de Peugeot wordt om 17:49 uur ook in Utrecht geregistreerd. Om 20:14 uur heeft de Peugeot opnieuw een registratie in Utrecht en om 20:15 uur straalt ook de bakentelefoon in Utrecht aan.

Om 21:48 uur start de triplog van de TomTom op de [straat] in [woonplaats] . De TomTom rijdt vervolgens via de [straat] naar de [straat] . De politie merkt op dat de [straat] (zeer) dicht in de buurt van de [adres] in [woonplaats] ligt, hetgeen destijds het verblijfadres van de verdachte was.

In de avond komen de registraties van de TomTom en de Peugeot op twee momenten exact met elkaar overeen. Zo hebben de TomTom en de Peugeot allebei op de N210 bij IJsselstein om 22:11:30 uur, ter hoogte van hectometerpaal 46,4 en om 22:13:55 uur, ter hoogte van hectometerpaal 49,1 registraties. Tien minuten later, komen de registraties van de Peugeot en de bakentelefoon met elkaar overeen. Zo verplaatst de TomTom zich om 22:21 uur op de A12 bij De Meern. Op hetzelfde moment gebruikt bakentelefoon [IMEI-nummer 2] een zendmast in De Meern. Om 22:23 uur bevindt de TomTom zich op de A12 tussen Harmelen en Woerden. Op dat tijdstip gebruikt de bakentelefoon [IMEI-nummer 2] een zendmast in Woerden. De laatste registratie van de Peugeot is om 23:35 uur bij IJsselstein.

Tussenconclusie

Gelet op de start van de TomTom vlakbij de woning van de verdachte en de

overeenkomende registraties van de TomTom, de Peugeot en de bakentelefoon, stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 11 februari 2014 de gebruiker van de bakentelefoon en TomTom is geweest. Aangezien het baken onder de auto van [slachtoffer 3] correspondeerde met de bakentelefoon, betekent dit dat de verdachte op 11 februari 2014 informatie van het baken over de verblijflocaties van [slachtoffer 3] heeft ontvangen.

12 februari 2014

Ook op deze dag is te zien dat zowel de registraties van de Peugeot als de bakentelefoon én de registraties van de TomTom en de bakentelefoon met elkaar overeenkomen, waaruit geconcludeerd kan worden dat de Peugeot, de bakentelefoon en de TomTom in gebruik waren bij eenzelfde persoon. Dit blijkt uit de volgende technische gegevens.

Gedurende de middag komen de registraties van de bakentelefoon en de Peugeot met elkaar overeen. Zo gebruikt de bakentelefoon om 11:49 uur en 11:51 uur zendmasten in IJsselstein, en wordt de Peugeot om 12:00 uur en 12:03 uur ook in IJsselstein geregistreerd. Om 13:12 uur en 13:40 uur heeft de Peugeot opnieuw registraties in IJsselstein. De bakentelefoon straalt om 13:29 uur ook aan in IJsselstein. Vervolgens wordt de Peugeot om 13:55 uur weer geregistreerd in IJsselstein en maakt de bakentelefoon om 13:59 uur ook gebruik van een zendmast in IJsselstein.

Om 14:28 uur wordt de Peugeot geregistreerd op de N210 in IJsselstein, ter hoogte van hectometerpaal 49.1. Om 14:29 uur maakt de bakentelefoon verbinding met een zendmast in Nieuwegein. Uit de visuele weergave van de VID-kastjes in het dossier, leidt de rechtbank af dat het VID-kastje langs de N210 in IJsselstein, ter hoogte van hectometerpaal 49.1, zich nabij Nieuwegein bevindt. Vanaf 14:29 uur is te zien dat de bakentelefoon zich in de richting van Bergen op Zoom verplaatst. De Peugeot heeft tot 17:38 uur geen registraties.

Vervolgens is te zien dat de bakentelefoon en de TomTom op overeenkomstige momenten in Bergen op Zoom zijn, waarna zij beide naar Steenbergen verplaatsen. De bakentelefoon gebruikt om 15:19 uur zendmasten in Bergen op Zoom, en de TomTom is vanaf 15:20 uur in Bergen op Zoom. Hierna bevinden zowel de bakentelefoon als de TomTom zich (afwisselend) in Bergen op Zoom en Halsteren.Vervolgens verplaatsen zowel de TomTom als de bakentelefoon naar Steenbergen. De TomTom bevindt zich tussen 15:41 uur en 15:47 uur in Steenbergen. De bakentelefoon gebruikt om 15:55 uur een zendmast in Steenbergen. Zoals hierboven uitgewerkt, wordt de TomTom deze dag gebruikt om (mogelijke) vluchtroutes te verkennen en voorverkenningen bij de werkadressen van [slachtoffer 3] te verrichten. Doordat de TomTom hierna wordt uitgezet, zijn er geen registraties meer van de TomTom op deze dag. Om 17:38 uur en 17:41 uur heeft de Peugeot weer registraties in IJsselstein. Enkele minuten hierna (om 17:49 uur) gebruikt ook de bakentelefoon weer een zendmast in IJsselstein. Om 19:13 uur straalt de bakentelefoon weer een zendmast in IJsselstein aan en om 19:20 uur wordt de Peugeot ook weer in IJsselstein geregistreerd. De Peugeot en de bakentelefoon hebben (respectievelijk) om 19:48 uur en 19:49 uur opnieuw registraties in IJsselstein.

Tussenconclusie

De registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon komen op deze dag op meerdere momenten met elkaar overeen. Opvallend daarbij is dat zowel de laatste registratie voor het vertrek uit IJsselstein, als de eerste registratie bij de terugkomst in IJsselstein, overeenkomen met de registraties van de Peugeot. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte op 12 februari 2014 ook de gebruiker van de bakentelefoon is geweest.

Ook de locatiegegevens van de bakentelefoon en de TomTom komen met elkaar overeen, wat erop wijst dat de gebruiker van de bakentelefoon (de verdachte) op deze dag ook de gebruiker van de TomTom is geweest. Eerder is vastgesteld dat de TomTom op 12 februari 2014 gebruikt is bij het verrichten van voorverkenningen en het verkennen van de vluchtroute. Dit maakt dat de verdachte op 12 februari 2014 niet alleen informatie van het baken over de dagelijkse routine en (regelmatige) verblijflocaties van [slachtoffer 3] heeft ontvangen, maar ook voorverkenningen heeft verricht en de vluchtroute heeft verkend.

17 februari 2014

Ook op 17 februari 2014 komen de registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon met elkaar overeen. Zo wordt de Peugeot om 09:34 uur in IJsselstein geregistreerd en gebruikt de bakentelefoon om 09:36 uur ook een zendmast in IJsselstein. De bakentelefoon en de Peugeot hebben (respectievelijk) om 10:27 uur en 10:28 uur registraties in IJsselstein. Om 10:34 uur hebben zowel de bakentelefoon als de Peugeot registraties in Benschop.

Vanaf 15:25 uur gebruikt de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen. De bakentelefoon maakt op dat moment gebruik van een zendmast, die de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken (respectievelijk) om 14:27 uur en 15:30 uur ook gebruiken. Om 16:38 uur gebruikt het baken een zendmast in een ander deel van Steenbergen. Deze zendmast wordt even later ook door de bakentelefoon (om 16:46 uur) en de telefoon van [slachtoffer 3] (om 17:07 uur) gebruikt.

Om 18:59 uur gebruiken de bakentelefoon en het baken verschillende zendmasten. Zo straalt de bakentelefoon in Utrecht aan, terwijl het baken op dat moment nog in Steenbergen is.

Tussenconclusie

Gelet op de overeenkomende registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte op 17 februari 2014 ook de gebruiker van de bakentelefoon is geweest.

Gedurende ongeveer anderhalf uur straalt de bakentelefoon in Steenbergen dezelfde zendmasten aan als het baken en [slachtoffer 3] , hetgeen past bij fysieke observatie van [slachtoffer 3] . Daarmee heeft de verdachte op 17 februari 2014 niet alleen informatie van het baken ontvangen, maar ook [slachtoffer 3] fysiek geobserveerd.

18 februari 2014

Ook op 18 februari 2014 komen de registraties van de Peugeot en de bakentelefoon op meerdere momenten overeen. Zo maakt de bakentelefoon om 16:09 uur gebruik van een zendmast in Utrecht en wordt de Peugeot om 16:16 uur ook in Utrecht geregistreerd. Om 17:02 uur straalt de bakentelefoon aan in Nieuwegein. Dit is nabij IJsselstein. Een minuut later (om 17:03 uur) wordt de Peugeot in IJsselstein geregistreerd. Om 18:58 uur wordt de Peugeot bij het verkeersplein richting Nieuwegein en Utrecht (wijk Lunetten) geregistreerd. Om 19:02 uur gebruikt de bakentelefoon een zendmast in Utrecht Lunetten. De politie merkt op dat dit vlakbij de plek is waar de Peugeot vier minuten eerder werd geregistreerd.

Van 20:32 uur tot 21:02 uur gebruikt de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen. De telefoon van [slachtoffer 3] gebruikt de gehele dag ook zendmasten in Steenbergen.

Vanaf 21:02 uur gebruikt de bakentelefoon weer zendmasten langs de route van Steenbergen naar IJsselstein. Zo straalt de bakentelefoon aan in Roosendaal, Rotterdam en Gouda. Om 23:02 uur gebruikt de bakentelefoon weer een zendmast in IJsselstein, op datzelfde moment wordt de Peugeot ook in IJsselstein geregistreerd.

Tussenconclusie

De registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon komen op deze dag op meerdere momenten met elkaar overeen. Opvallend daarbij is dat zowel de laatste registratie voor het vertrek uit IJsselstein, als de eerste registratie bij de terugkomst in IJsselstein, overeenkomen met de registraties van de Peugeot. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte op 18 februari 2014 ook de gebruiker van de bakentelefoon is geweest.

Gedurende een halfuur lang straalt de bakentelefoon in Steenbergen uit, terwijl [slachtoffer 3] zich deze (gehele) dag ook in Steenbergen bevindt. Dit past zowel bij het verrichten van voorverkenningen als het fysiek observeren van [slachtoffer 3] . Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de verdachte (als bezitter van de bakentelefoon) op 18 februari 2014 niet alleen informatie over [slachtoffer 3] van het baken heeft ontvangen, maar daarnaast ook voorverkenningen heeft verricht dan wel [slachtoffer 3] fysiek heeft geobserveerd.

19 februari 2014

Op 19 februari 2014 komen de registraties van de Peugeot niet overeen met de bakentelefoon en de TomTom, waardoor deze niet in gebruik bij dezelfde persoon kunnen zijn.

Zo worden (zoals hierboven vastgesteld) met de TomTom van 10:30 uur tot 15:18 uur voorverkenningen verricht bij het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] in [plaats] . De Peugeot heeft om 14:26 uur een registratie in IJsselstein, om 15:20 uur bij Kerk-Avezaath en vanaf 15:40 uur weer in IJsselstein.

Ook op het moment dat het baken onder de auto van [slachtoffer 3] wordt verwijderd, kan niet worden vastgesteld dat dit door de gebruiker van de Peugeot (en dus de verdachte) is gebeurd. Zo gebruikt de bakentelefoon vanaf 00:21 uur zendmasten van IJsselstein naar Steenbergen. De Peugeot had geen registraties rond dit tijdstip of in het uur daaraan voorafgaand, zodat niet gesteld kan worden dat de bakentelefoon en de Peugeot door eenzelfde persoon worden gebruikt.

Tussenconclusie

Op 19 februari 2014 komen de registraties van de Peugeot, de bakentelefoon en de TomTom niet met elkaar overeen. Nu er geen (andere) aanwijzingen zijn dat de verdachte op deze dag de gebruiker van de bakentelefoon of de TomTom is geweest, komt de rechtbank tot de conclusie dat (een) ander(en) dan de verdachte op 19 februari 2014 gebruiker(s) van de bakentelefoon én de TomTom is/zijn geweest.

In de periode 6 en 7 januari 2014: bakentelefoon [IMEI-nummer 4] en baken [IMEI-nummer 5]

De rechtbank stelt hieronder vast dat [slachtoffer 3] ook op 6 en 7 januari 2014 is geobserveerd. Doordat de Peugeot op de relevante momenten op deze dagen geen registraties heeft en op deze dagen geen andere leden uit de criminele organisatie in beeld komen, kan niet worden vastgesteld welk lid van de criminele organisatie op 6 en 7 januari 2014 de gebruiker van de bakenapparatuur is geweest. Wel acht de rechtbank deze dagen van belang, omdat de bakenapparatuur evident gebruikt is bij de observaties van [slachtoffer 3] en de voorverkenningen in Steenbergen voorafgaand aan het schietincident op 11 januari 2014. Deze apparatuur is eveneens gebruikt dan wel (indirect) te linken (zie paragraaf 3.1) aan gebruikte bakenapparatuur bij de moord op [slachtoffer 3] en onderzoek Brand. De rechtbank komt tot deze conclusie op basis van technische gegevens van bakenapparatuur, die in onderstaande paragrafen (met bijbehorende tussenconclusies) worden besproken.

6 januari 2014: plaatsing van het baken en digitale observatie [slachtoffer 3]

Vanaf 01:04 uur gebruiken zowel baken [IMEI-nummer 5] als bakentelefoon [IMEI-nummer 4] op dezelfde tijdstippen overeenkomende zendmasten langs de route naar Steenbergen. Zo stralen de bakentelefoon en het baken allebei om 01:04 uur aan bij Bosschenhoofd en om 01:17 uur bij Bergen op Zoom. Van 01:27 uur tot 01:47 uur gebruiken zowel het baken als de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen. In de ochtend gebruiken de bakentelefoon en het baken zendmasten op verschillende plaatsen. Zo maakt het baken om 10:46 uur (nog steeds) gebruik van een zendmast in Steenbergen, terwijl de bakentelefoon om 11:07 uur een zendmast in Utrecht gebruikt.

Vanaf 12:02 uur is te zien dat het baken [IMEI-nummer 11] en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] op (ongeveer) dezelfde tijdstippen aanstralen in overeenkomende plaatsen. Zo stralen het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] (respectievelijk) om 12:02 uur en 12:03 uur aan in Willemstad. Om 12:25 uur gebruiken zowel het baken als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten in Barendrecht. Het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] stralen (respectievelijk) om 15:07 uur en 15:08 uur weer aan in Steenbergen. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat in de nacht van 6 januari 2014 een baken onder de auto van [slachtoffer 3] is geplaatst, waarna met behulp van het baken informatie is verkregen over de dagelijkse routine en (regelmatige) verblijfadressen van [slachtoffer 3] .

7 januari 2014: digitale observatie [slachtoffer 3] en voorverkenningen in Steenbergen

Ook op 7 januari 2014 is te zien dat het telefoonnummer van [slachtoffer 3] en baken [IMEI-nummer 11] op dezelfde tijdstippen aanstralen in dezelfde steden/dorpen. Zo gebruiken om 09:43 uur zowel het baken als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten in Steenbergen. Het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] stralen vervolgens allebei op hetzelfde tijdstip (om 10:48 uur) aan in Heinenoord. Om 13:53 uur stralen het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] beide aan in Rotterdam. Dit maakt dat rechtbank ervan uitgaat dat het baken op 7 januari 2014 zich nog onder de auto van [slachtoffer 3] bevond.

Van 14:45 uur tot 14:57 uur gebruikt de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen. De bakentelefoon verplaatst zich vervolgens naar Roosendaal. Van 16:03 uur tot 16:18 uur maakt de bakentelefoon opnieuw gebruik van zendmasten in Steenbergen. De bakentelefoon verplaatst zich weer naar Roosendaal, om vervolgens om 19:20 uur weer terug in Steenbergen te komen. Van 19:20 uur tot 19:28 uur gebruikt de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen, waar het baken ook gebruik van maakt. Het telefoonnummer van [slachtoffer 3] straalt rond dit tijdstip (19:41 uur) ook aan in Steenbergen.

Tussenconclusie

De gebruiker van de bakentelefoon heeft op 7 januari 2014 met behulp van het baken informatie verkregen over de dagelijkse routine en (regelmatige) verblijfadressen van [slachtoffer 3] . Daarnaast is te zien dat de bakentelefoon in de middag meerdere malen in Steenbergen komt, wat erop wijst dat de gebruiker van de bakentelefoon voorverkenningen in de Steenbergen heeft verricht.

19 tot en met 23 december 2013: observaties met bakentelefoon [IMEI-nummer 6]

Dat de verdachte ook een bijdrage heeft geleverd aan de observaties van [slachtoffer 3] en voorverkenningen in Steenbergen voorafgaand aan het geweldsfeit op 11 januari 2014, blijkt uit het gebruik van bakenapparatuur op 21 en 22 december 2013.

De rechtbank komt hieronder tot de vaststelling dat [slachtoffer 3] in de periode van 19 tot en met 22 december 2013 met behulp van bakenapparatuur is geobserveerd. Bij deze observaties is gebruik gemaakt van een bakenset met bakentelefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 6] (hierna: bakentelefoon [IMEI-nummer 6] ), een baken met IMEI-nummer [IMEI-nummer 7] (hierna: baken [IMEI-nummer 7] ) en een onbekend baken (waarin simkaart [IMEI-nummer 8] (hierna: [IMEI-nummer 8] ) zat). Dit blijkt uit de volgende technische gegevens.

19 december 2013: activatie van baken [IMEI-nummer 7] en bakentelefoon [IMEI-nummer 6]

Op 19 december 2013 worden bakentelefoon [IMEI-nummer 6] en het baken [IMEI-nummer 7] (respectievelijk) om 13:17 uur en 13:50 uur geactiveerd in Utrecht. Om 14:20 uur stralen de bakentelefoon en het baken allebei aan in Utrecht. De bakentelefoon en het baken verplaatsen vervolgens beide naar Nieuwegein, waar zij gelijktijdig dezelfde zendmast aanstralen. Zo gebruikt de bakentelefoon tussen 15:01 uur tot en met 15:28 uur de zendmast aan de Rembrandthage in Nieuwegein Noord, en het baken van 15:02 uur tot en met 15:25 uur.

Ook later op dag gebruiken de bakentelefoon en het baken zendmasten in dezelfde steden. Zo stralen de bakentelefoon en het baken om 17:12 uur aan in Abcoude en rond 17:30 uur en 18:11 uur aan in Amsterdam.

De registraties van de Peugeot passen op deze dag niet bij de registraties van het baken en de bakentelefoon. Zo heeft de Peugeot om 11:16, 13:42 en 13:44 uur registraties in Kerk-Avezaath en Tiel, en om 15:04, 15:07, 15:16 en 15:19 uur in IJsselstein. De Peugeot heeft vanaf 17:25 uur meerdere registraties in IJsselstein, terwijl de bakentelefoon en het baken vanaf (ongeveer) 17:30 uur tot 00:12 uur zendmasten in Amsterdam gebruiken.

Tussenconclusie

Gelet op de overeenkomende registraties van de bakentelefoon en het baken, gaat de rechtbank ervan uit dat de bakenapparatuur in bezit van dezelfde persoon waren op 19 december 2013. De bakentelefoon [IMEI-nummer 6] en het baken [IMEI-nummer 7] worden beide in Utrecht geactiveerd. Enkele minuten voor de activatie van het baken, was de Peugeot (nog) in Tiel. Dit maakt dat het een ander dan de verdachte het baken moet hebben geactiveerd. Ook de daaropvolgende registraties van de gebruikte zendmasten van de bakenapparatuur en de Peugeot passen niet bij gebruik door eenzelfde persoon, waardoor een ander dan verdachte die dag de gebruiker van de bakenapparatuur moet zijn geweest.

20 december 2013: plaatsing baken en voorverkenningen / observatie van [slachtoffer 3]

In de nacht van 20 december 2013 gebruikt de bakentelefoon van 04:06 uur tot 04:36 uur zendmasten in Steenbergen, de woonplaats van [slachtoffer 3] . Deze dag ontvangt en stuurt de bakentelefoon 324 sms-berichten van en naar het telefoonnummer [IMEI-nummer 8] (hierna: [IMEI-nummer 8] ). De politie relateert dat een grote hoeveelheid sms-berichten kenmerkend is bij het gebruik van een baken.

Vanaf 10:36 uur gebruikt het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten langs de route naar Rotterdam. Te zien is dat de bakentelefoon deze dag steeds zendmasten in dezelfde plaatsen als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] gebruikt, echter steeds met enige vertraging. Zo maakt het telefoonnummer van [slachtoffer 3] om 10:35 uur gebruik van een zendmast in Dinteloord, en de bakentelefoon om 11:20 uur. Om 11:20 uur straalt het telefoonnummer van [slachtoffer 3] aan in Willemstad, de bakentelefoon straalt daar om 12:58 uur aan. Om 13:52 uur straalt het telefoonnummer van [slachtoffer 3] bij Barendrecht aan en de bakentelefoon om 14:23 uur. Om 15:58 uur gebruiken zowel de bakentelefoon als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten in Rotterdam. Hierna komen de registraties van de bakentelefoon en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] niet meer overeen.

De registraties van de Peugeot en de bakentelefoon komen deze dag niet met elkaar overeen. Zo heeft de Peugeot om 11:32 uur en 11:34 uur registraties in de omgeving van Tiel, terwijl de bakentelefoon (zoals hierboven weergegeven) zich om 11:20 uur in Dinteloord bevindt.

Tussenconclusie

Op 20 december 2013 bevindt de bakentelefoon zich steeds (met enige vertraging) op locaties waar [slachtoffer 3] zich even daarvoor bevond. Deze vertraging wijst erop dat de gebruiker van de bakentelefoon over de locatiegegevens van [slachtoffer 3] beschikte, zoals in de situatie waarbij er een baken onder zijn voertuig is geplaatst. Ook de grote hoeveelheid sms-berichten die van en naar de bakentelefoon worden gestuurd en het feit dat [slachtoffer 3] in januari en februari 2014 met behulp van bakenapparatuur is geobserveerd passen bij de plaatsing van een baken onder zijn voertuig. Nu de gebruiker van de bakentelefoon in de vroege ochtend naar [plaats] is gereisd, gaat de rechtbank ervan uit dat op dat moment een (onbekend) baken onder de auto van [slachtoffer 3] is geplaatst. Met behulp van dit baken heeft de gebruiker van de bakentelefoon op 20 december 2013 [slachtoffer 3] (fysiek) geobserveerd en voorverkenningen verricht op locaties waar [slachtoffer 3] kwam.

De registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon in de ochtend van 20 december 2013 passen niet bij het gebruik door eenzelfde persoon. Nu er geen (andere) aanwijzingen zijn dat de verdachte op deze dag de gebruiker van de bakentelefoon is geweest, komt de rechtbank tot de conclusie dat (een) ander(en) dan de verdachte op 20 december 2013 de gebruiker(s) van de bakentelefoon is/zijn geweest.

21 en 22 december 2013

De rechtbank stelt hieronder vast dat de verdachte op deze dagen de gebruiker van de bakentelefoon is geweest. Nu de feiten, in onderlinge samenhang, met elkaar moeten worden bezien, zal na de bespreking van beide dagen één (tussen)conclusie getrokken.

21 december 2013

Op 21 december 2013 communiceert de bakentelefoon met baken [IMEI-nummer 7] . Om 03:40 uur, om 23:41 uur en om 23:47 uur gebruikt het baken zendmasten in Oud-Gastel, een dorpje op ongeveer 10 kilometer afstand van [woonplaats] . In het baken komt het adres [adres] in [woonplaats] meerdere malen voor. Dit adres is zeer dichtbij het woonadres van [slachtoffer 3] , de [adres] in [woonplaats] . Gelet op de omstandigheid dat het baken zendmasten in de omgeving van [woonplaats] gebruikt en een adres in de directe omgeving van het woonadres van [slachtoffer 3] meerdere malen in het baken staat opgeslagen, gaat de rechtbank ervan uit dat baken [IMEI-nummer 7] op 21 december 2013 onder de auto van [slachtoffer 3] zat.

In het baken zit op dat moment een simkaart met het telefoonnummer [IMEI-nummer 9] (hierna: [IMEI-nummer 9] ). De simkaart van [IMEI-nummer 9] is op 15 juli 2015 op de [adres] in [woonplaats] aangetroffen. De ex-vrouw en de kinderen van de verdachte stonden vanaf 3 februari 2015 op dit adres ingeschreven en de verdachte is op 15 juli 2015 in deze woning aangehouden. Bovendien blijkt uit onderzoek 26Koper dat [verdachte] in 2015 veelvuldig verbleef op de [adres] in [woonplaats] . Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat dit een (regelmatig) verblijfadres van de verdachte was. De rechtbank ziet het aantreffen van de simkaart, in onderlinge samenhang bezien met de navolgende feiten, als een aanwijzing voor de betrokkenheid van de verdachte bij de observaties van [slachtoffer 3] .

Daarnaast wordt door de politie gerelateerd dat uit de registraties van de Peugeot en de bakentelefoon blijkt dat deze beide in de nacht van 20 op 21 december 2013 actief waren en zich van IJsselstein naar Tiel en vervolgens (in de richting van) Steenbergen verplaatsten. Zo wordt de Peugeot om 01:15 uur geregistreerd bij de oprit van de A2 in IJsselstein. De bakentelefoon straalt om 01:51 uur ook in IJsselstein aan. Om 03:33 uur gebruikt de bakentelefoon een zendmast in Tiel. De Peugeot wordt om 04:49 uur ook in Tiel geregistreerd en om 05:47 uur in Kerk-Avezaath, nabij Tiel. Om 06:49 uur straalt de bakentelefoon aan in Steenbergen. Om 07:23 uur wordt de Peugeot geregistreerd in Breda en vanaf 07:57 uur heeft de Peugeot gedurende de dag meerdere registraties in IJsselstein. Vanaf 13:50 uur maakt de bakentelefoon gebruik van een zendmast in IJsselstein.

22 december 2013

Op 22 december 2013 ontvangt de bakentelefoon tussen 16:53 uur en 17:43 uur opnieuw meerdere sms-berichten van telefoonnummer [IMEI-nummer 8] . De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat deze simkaart in het onbekende baken zat, dat op 20 december 2013 onder de auto van [slachtoffer 3] is geplaatst. Nu er geen aanwijzingen zijn dat het onbekende baken (in de tussentijd) is verwijderd, gaat de rechtbank ervan uit dat het baken tot en met 22 december 2013 nog onder de auto van [slachtoffer 3] zat.

De bakentelefoon maakt de hele dag gebruik van de zendmast aan de [straat] in IJsselstein. Deze zendmast ligt nabij het verblijfadres van de verdachte, de [adres] in [woonplaats] .

Tussenconclusie

De overeenkomende reisbewegingen van de Peugeot en de bakentelefoon wijzen er, net als in februari 2014 op, dat de Peugeot en de bakentelefoon op 21 december 2013 door eenzelfde persoon worden gebruikt. Ook zijn er (opnieuw) geen registraties die het gebruik van de Peugeot en de bakentelefoon door eenzelfde persoon uitsluiten. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om in de tijd die tussen de registraties van de Peugeot en de bakentelefoon zit van Kerk-Avezaath naar Steenbergen en vervolgens naar Breda te rijden. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat er ook andere aanwijzingen zijn voor het gebruik van de bakentelefoon door verdachte. Zo is de simkaart [IMEI-nummer 9] , die deze nacht in baken [IMEI-nummer 7] zat en communiceerde met de bakentelefoon, op het regelmatige verblijfadres van de verdachte in [woonplaats] aangetroffen. Eén dag later, op 22 december 2013, gebruikt de bakentelefoon de gehele dag een zendmast nabij het verblijfadres van de verdachte in IJsselstein. Deze feiten, in samenhang bezien, maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de verdachte op 21 december 2013 en 22 december 2013 de gebruiker van de bakentelefoon is geweest.

Gelet op de rol die de verdachte bij de observaties van [slachtoffer 3] in februari 2014 heeft gehad, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte in de nacht van 21 december 2013 in Steenbergen was om inlichtingen over (de verblijfplaats van) [slachtoffer 3] te verkrijgen. Ook heeft de verdachte als gebruiker van de bakentelefoon op 21 december 2013 en 22 december 2013 informatie over de dagelijkse routine en verblijflocaties van [slachtoffer 3] van baken [IMEI-nummer 7] en het (onbekende) baken ontvangen.

Eindconclusie over de observaties en voorverkenningen

In de periodes van 19 december 2013 tot en met 22 december 2013, 6 en 7 januari 2014 en 11 tot en met 19 februari 2014 hebben (digitale en fysieke) observaties van [slachtoffer 3] en voorverkenningen bij het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] plaatsgevonden.

De verdachte is op 21 en 22 december 2013 en 11, 12, 17 en 18 februari 2014 betrokken geweest bij de observaties van [slachtoffer 3] . Hierbij was de verdachte telkens de gebruiker van de bakentelefoon, die correspondeerde met het baken dat onder de auto van [slachtoffer 3] geplaatst was. De verdachte ontving daarbij informatie over de dagelijkse patronen en (regelmatige) verblijflocaties van [slachtoffer 3] . Daarnaast was de verdachte op 21 december 2013 en 12, 17 en 18 februari 2014 betrokken bij voorverkenningen in Steenbergen en/of het verkennen van mogelijke vluchtroutes. In ieder geval op 20 december 2013 en op 19 februari 2014 is/zijn (een) ander(en) dan de verdachte betrokken geweest bij de voorverkenningen en observaties van [slachtoffer 3] .

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken