Rb. Midden-Nederland 28 september 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3871

Verzoekers verzoeken de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zoals bedoeld in artikel 186 Rv te bevelen. Verweerster heeft begin 2020 als wetenschapper en coauteur een bijdrage geleverd aan de zogeheten Corman-Drosten paper. Daarin wordt een mogelijk testprotocol omschreven waarmee het SARS-CoV2-virus gedetecteerd zou kunnen worden. Verzoekers verwijten verweerster onrechtmatig te hebben gehandeld door bij de totstandkoming van de Corman-Drosten paper niet te hebben gehandeld zoals van een redelijk handelend en vakbekwaam wetenschapper mag worden verwacht. De rechtbank oordeelt allereerst dat het verzoek jegens verzoeker sub 1 (de vereniging) moet worden afgewezen, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:305a BW die gelden bij het instellen van een collectieve actie. Daarnaast is ook niet komen vast te staan dat de vereniging een eigen belang heeft bij het instellen van de onderhavige procedure tegen verweerster. Bij het door verzoeker sub 2 als privépersoon ingediende verzoek komt de rechtbank wel toe aan een inhoudelijke beoordeling. Uit de inhoud en strekking van de aan de getuigen te stellen vragen blijkt echter niet dat het verzoeker sub 2 gaat om duidelijkheid te verkrijgen omtrent (bewijsbare) feiten die ten grondslag liggen aan de vordering die hij mogelijk tegen verweerster wil instellen. De rechtbank heeft verder meegewogen dat een voorlopig getuigenverhoor niet bedoeld is om een bevestiging te krijgen van al bekende gegevens. De persoonlijke redenen van verzoeker sub 2 kunnen ook niet leiden tot voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW. Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt dus bij gebrek aan belang afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen