Rb. Midden-Nederland 19 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5622
Wet bibob, weigering splitsingsvergunning. Wetsuitleg van artikel 3a lid 3 Wet bibob, dat bepaalt dat de mate van gevaar na een vonnis van de strafrechter tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging niet op die overtreding wordt gebaseerd. De rechtbank oordeelt dat de bepaling in dezelfde zin moet worden toegepast op uitspraken van de bestuursrechter waarbij een bestuurlijke boete vanwege het ontbreken van verwijtbaarheid is vernietigd of op nihil is gesteld. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de keuze van de wetgever voor strafrechtelijke of bestuursrechtelijke sanctionering moet doorwerken in de uitkomst van een Wet bibob-beoordeling. De wetgever heeft de situatie waarbij de bestuursrechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat de verwijtbaarheid bij een bestuurlijk beboetbare overtreding ontbreekt klaarblijkelijk niet voorzien. De rechtbank oordeelt dat een redelijke wetsuitleg van artikel 3a, derde lid, van de Wet bibob meebrengt dat een bestuursorgaan de mate van gevaar in die situatie evenmin op grond van die overtreding mag vaststellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl