Rb. Midden-Nederland 19 oktober 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5092
Toepassing vrijlating medisch uren beperkt, aanvullende bijstand Wetsartikelen: art. 6b PW, art. 31 lid 2, onder y PW Samenvatting: Verweerder heeft het recht op bijstand herzien vanwege inkomsten die nog niet bekend waren bij hem. Eiseres heeft aangevoerd dat op haar inkomsten, zowel de inkomsten die nu bekend zijn geworden, als op haar inkomsten die al vanaf het begin van de bijstandverlening werden verrekend de vrijlating medisch urenbeperkt had moeten worden toegepast. Voor zover deze vrijlating zou moeten worden toegepast op haar inkomsten vanaf het begin van de bijstandsverlening valt deze grond buiten de omvang van het geding omdat het bestreden besluit niet over verrekening van die inkomsten gaat. Voor wat betreft de inkomsten die in het bestreden besluit worden verrekend is van belang dat eiseres geen aanvraag heeft ingediend om vast te laten stellen dat zij medisch urenbeperkt is. De rechtbank is van oordeel dat uit de wet en wetsgeschiedenis niet kan worden afgeleid dat verweerder gehouden was ambtshalve te beoordelen of eiseres medisch urenbeperkt was, zoals eiseres heeft gesteld. Ook was verweerder niet verplicht eiseres te wijzen op deze vrijlating en de mogelijkheid daarvoor een aanvraag in te dienen. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de uitkomst van deze procedure niet fundamenteel onterecht is. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl