CRvB 16 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2342
Primaire besluiten 1, 2 en 3. Gelet op de de overweging hiervoor zijn de primaire besluiten 1, 2 en 3 op de voorgeschreven wijze aan appellant bekend gemaakt. Dat appellant tegen geen van deze besluiten tijdig bezwaar heeft gemaakt, brengt met zich mee dat moet worden bezien of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim was bij het indienen van bezwaar. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174 brengen het zorgvuldigheidsbeginsel en het belang van toegang tot de rechter met zich mee dat, in situaties waarin een belanghebbende aangeeft dat hij elektronisch bereikbaar is voor de overheid zonder dat hij kenbaar heeft gemaakt notificaties te willen ontvangen telkens wanneer een bericht in de Berichtenbox is geplaatst, het bestuursorgaan dient te controleren of dit overeenstemt met de bedoeling van de belanghebbende. Wanneer zo’n controle achterwege is gebleven, is niet de op grond van artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid in acht genomen en moet de rechtsbescherming van de burger prevaleren boven het belang van het bestuursorgaan dat is gemoeid met het komen vast te staan van de rechtsverhouding tussen deze burger en het bestuursorgaan. Appellant is niet eerder dan met de brief van 3 april 2017 op de hoogte gebracht van het bestaan van de verplichting tot betaling van in totaal € 7.012,22. Vervolgens heeft appellant op 10 april 2017, dus binnen zes weken, bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3. Uitgangspunt is dan ook dat appellant ontvankelijk is in de tegen die besluiten gerichte bezwaren. Naar het oordeel van de Raad zijn er geen omstandigheden die aanleiding vormen voor afwijking van dit uitgangspunt. Hieruit volgt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de Svb de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 28 november 2016, 4 januari 2017 en 20 februari 2017 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Redelijkerwijs kan niet worden geoordeeld dat appellant ter zake van de termijnoverschrijdingen in verzuim is geweest. De Svb had daarom inhoudelijk op de bezwaren van appellant tegen deze besluiten moeten beslissen. De brief van 3 april 2017. De brief van 3 april 2017 bevat geen besluit, maar een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van appellant. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bezwaar tegen deze brief niet-ontvankelijk is. Primair besluit 4. De beroepsgrond dat bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum dan 31 maart 2017 rechtvaardigen, slaagt niet. Proceskosten. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl