Rb. Midden-Nederland 7 december 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:6099
Deze uitspraak ziet op twee beroepen die gaan over de Drank- en Horecawet (DHW) en twee DHW-vergunningen die door de burgemeester van Urk zijn afgegeven. Het gaat om het beroep van de uitbater van een horeca-inrichting op Urk tegen de intrekking van een in 2017 verleende DHW-vergunning en het beroep van een andere horeca-uitbater tegen de in 2018 alsnog voor die horeca-inrichting verleende DHW-vergunning. De aanleiding voor de intrekking was dat bij de aanvraag van de vergunning méér horecaruimte was opgegeven dan er was. De rechtbank vindt dat de vergunning uit 2017 niet moest worden ingetrokken, maar moest worden gewijzigd naar de kleinere oppervlakte. De rechtbank wijzigt deze vergunning naar de kleinere oppervlakte. De bezwaren van de andere horeca-uitbater tegen de verleende vergunning komen erop neer dat de uitbater van de horeca-inrichting en de horeca-inrichting zelf niet aan de eisen van de DHW voldoen. De rechtbank vindt die bezwaren niet terecht. Dat betekent de vergunning uit 2017 niet ingetrokken moest worden en dat de nieuwe vergunning eigenlijk niet verleend hoefde te worden. Door de onterechte intrekking van de vergunning uit 2017 heeft de uitbater van een horeca-inrichting omzet gemist. Het verzoek om schadevergoeding voor gederfde omzet wijst de rechtbank af omdat dat verzoek in deze procedure niet is onderbouwd.
De uitspraak op rechtspraak.nl