Rb. Midden-Nederland 5 december 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:6478
Omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten voor de activiteit bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo voor een BioWarmte installatie (BWI) van Eneco in Utrecht. De rechtbank oordeelt onder meer dat GS voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de biomassa grotendeels afkomstig zal zijn uit landschapsbeheer. Ten aanzien van de luchtkwaliteit blijkt uit de verrichte onderzoeken dat de bijdrage van de BWI niet in betekenende mate is, omdat de bijdrage ruimschoots onder de wettelijke grenswaarden ligt. Verder is in de vergunning voldoende geborgd dat eventuele storingen in de BWI geen gevolgen hebben voor de emissies en/of het voldoen aan de emissiegrenswaarden. Het beroep slaagt wel op het punt van de emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen. Omdat het zeer zorgwekkende stoffen betreft, waarvoor een minimalisatieverplichting geldt en Eneco zelf een lagere norm haalbaar acht, past de rechtbank de norm in de vergunning zelf aan.
De uitspraak op rechtspraak.nl