Rb. Midden-Nederland 17 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9774
De rechtbank moet in deze procedure oordelen over de boete die aan eiseres is opgelegd, omdat zij in haar BSO in de periode van september 2014 tot en met november 2014 in totaal acht beroepskrachten minder heeft ingezet dan op grond van het aantal aanwezige kinderen voorgeschreven was. De boete is opgelegd op grond van artikel 1.72 van de Wkkp. Hierbij is verweerders beleid toegepast, zoals neergelegd in het Afwegingsmodel Handhaving Kinderopvang Utrecht 2013 (het Afwegingsmodel). De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er in de genoemde periode te weinig beroepskrachten zijn ingezet. Zij volgt ook verweerders standpunt dat op basis van de relevante wetgeving de opvang plaatsvindt in basisgroepen en dat als er meer dan 10 kinderen in een basisgroep aanwezig zijn en meer dan één beroepskracht moet worden ingezet. Dat was hier niet het geval. De geconstateerde overtredingen zijn in beginsel beboetbaar op grond van artikel 1.72, eerste lid, van de Wkkp. Het gaat hierbij om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van verweerder en verweerder hanteert daarbij het Afwegingsmodel. In geval van recidive volgt een boete. Verweerder stelt dat hier sprake is van recidive. De rechtbank volgt verweerder hierin echter niet. De rechtbank overweegt dat er alleen van recidive kan worden gesproken wanneer is geconstateerd dat de betrokkene eerder - daadwerkelijk - een soortgelijke overtreding heeft begaan. Verweerder draagt hiervan de bewijslast en heeft niet voldoende onderbouwd dat bij eiseres daadwerkelijk sprake is geweest van een eerdere overtreding van de voorgeschreven beroepskracht-kindratio. Volgens het Afwegingsmodel had verweerder in dat geval geen boete moeten opleggen maar een schriftelijke aanwijzing moeten geven. Daarom is het beroep gegrond en moet verweerder opnieuw op het bezwaar van eiseres beslissen.
De uitspraak op rechtspraak.nl