Rb. Midden-Nederland 2 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5075

Baatbelasting op grond van artikel 222 van de Gemeentewet voor aanleg riolering. Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), criterium samenhangende zaken. Verweerder heeft in het buitengebied van de voormalige gemeente Abcoude riolering aangelegd en dit gebied opgedeeld in tien verschillende clusters. Per cluster heeft verweerder een Verordening baatbelasting vastgesteld. Gemachtigde heeft namens 171 eisers een beroep ingesteld. Voor vijf van de tien clusters wordt de Verordening onverbindend verklaard omdat deze niet uiterlijk twee jaar na het voltooien van de werkzaamheden in het cluster is vastgesteld, zoals artikel 222 van de Gemeentewet voorschrijft. De uitspraak UTR 14/7977 ea betreft één van deze vijf clusters. In de andere vijf clusters komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder wel heeft aangetoond dat de Verordening tijdig is vastgesteld, zodat verweerder een aanslag baatbelasting heeft mogen opleggen. Echter, ook in deze clusters zijn enkele beroepen gegrond, onder meer omdat verweerder zijn gedragslijn om de aanslag te verminderen indien een eigenaar zijn woning heeft gekocht in de periode tussen het bekostigingsbesluit en het vaststellen van de Verordening niet geheel consequent heeft toegepast. Het beroep van diverse eisers op gedane toezeggingen slaagt niet omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Verweerder heeft overigens ook zelf een onderzoek naar dergelijke toezeggingen verricht. De uitspraak UTR 14/8020 en UTR 14/7894 is een voorbeeld van een dergelijke zaak. In totaal zijn er 54 beroepen gegrond. De rechtbank merkt deze zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit leidt op grond van het Bpb tot een wegingsfactor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken. Het gewicht van de zaak wordt, gelet op de benodigde specifieke en vaktechnische kennis die door de gemachtigde van eisers is opgedaan, aangemerkt als zeer zwaar (wegingsfactor 2). De rechtbank ziet aanleiding om op de voet van artikel 2, derde lid, van het Bpb af te wijken van de met toepassing van het Bpb vastgestelde vergoeding en deze vast te stellen op € 10.000,-.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen