Rb. Middelburg 29 maart 2005, ECLI:NL:RBMID:2005:AT3170

Eiser heeft direct voorafgaande aan de IOAW-uitkering een kortdurende werkloosheidsuitkering ontvangen, zoals bedoeld in hoofdstuk IIB WW. Verweerder heeft de hoogte van eisers IOAW-uitkering op grond van het bepaalde in artikel 9, vijfde lid, IOAW vastgesteld op het bedrag van de werkloosheidsuitkering. De rechtbank stelt vast dat 'artikel 2, eerste lid, onder b, IOAW, waarnaar in het vijfde lid van artikel 9 IOAW wordt verwezen als zodanig niet bestaat. Voor zover de verwijzing - zoals verweerder stelt - aldus moet worden begrepen dat verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder b, IOAW, volgt de rechtbank niet tevens verweerders uitleg van artikel 9, vijfde lid, IOAW dat de verwijzing naar artikel 47 WW, welke bepaling ziet op de hoogte van de loongerelateerde uitkering, geacht moet worden mede betrekking te hebben op de kortdurende werkloosheidsuitkering. De hoogte van de kortdurende werkloosheidsuitkering wordt immers geregeld in artikel 52i, derde lid, WW. Gelet hierop is de slotsom dat artikel 9, vijfde lid, IOAW in eisers geval niet kan dienen ter vaststelling van de hoogte van de IOAW-uitkering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen