Rb. Middelburg 20 maart 2001, ECLI:NL:RBMID:2001:AB1244

Vergunningverlening Wor ziet op regulier kampeerterrein. In geval van kleinschalig kamperen kan uitsluitend ontheffing worden verleend en geen vergunning. Verlenen vergunning ex art. 8.1 Wor voor 5 stacaravans, verlenen ontheffing voor 5 niet-permanente standplaatsen ex art. 8.2.a Wor en voor 5 niet-permanente standplaatsen ex art. 8.3 Wor. Volgens gemeentelijk beleid zijn maximaal 15 kampeermiddelen toegestaan. Eiser heeft aangevoerd dat de Wor geen beperkingen oplegt voor het aantal kampeermiddelen van een kampeerterrein ex art. 8.1. De Wor maakt in art. 8 onderscheid tussen vergunning en ontheffing of vrijstelling. Aan een vergunning verbindt de Wor meer voorwaarden dan aan een ontheffing. Dat blijkt onder meer uit art. 9 Wor. Blijkens de MvT Wor wordt bij een vergunning gedacht aan een regulier kampeerterrein en bij ontheffing aan diverse vormen van kleinschalig kamperen. Het aantal van tien kampeermiddelen is zo gekozen dat daarvan geen concurrentievervalsend effect uitgaat voor de vergunningplichtige terreinen, aldus de MvT. Het maximum aantal kampeermiddelen is derhalve bepalend voor de keuze tussen vergunning en ontheffing. Gezien het vorenstaande heeft verweerder in strijd met de Wor aan eiser een vergunning verleend voor 5 permanente standplaatsen. Kennelijk was het ook de bedoeling van verweerder om ontheffing te verlenen voor de 5 permanente standplaatsen. Aan eiser kan op grond van art. 8.2 Wor ontheffing voor ten hoogste 10 standplaatsen worden verleend ongeacht de voorschriften van B&W met betrekking tot de soort kampeermiddelen op die standplaatsen. Op grond van art. 8.3 Wor kunnen daar ten hoogste 5 standplaatsen gedurende korte periode aan worden toegevoegd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, verweerder. mr. G.J.A. van Unnik

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen