Rb. Maastricht 19 september 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BU3558
Verweerder heeft aan eiseres in verband met de behandeling van een bouwvergunningaanvraag, de toetsing van het bouwplan aan de welstandscriteria en het volgen van een procedure voor het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan een legesaanslag van € 223.647,50 opgelegd. De rechtbank acht het progressieve tarief voor de behandeling van de bouwvergunningaanvraag, niet in strijd met het verbod om naar draagkracht te heffen, ondanks dat de gedachte daarachter kennelijk is dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Het feit dat bij een hogere bouwsom een hoger tarief geldt betekent niet dat de betreffende vergunningaanvrager meer inkomen, vermogen of winst heeft. Het legesbedrag bedraagt in dit geval 2,24% van de bouwkosten. De rechtbank acht het legesbedrag op zichzelf en in verhouding tot de bouwkosten niet onredelijk of willekeurig. Het hoogste tarief geldt bij bouwkosten vanaf € 250.000,- en daarom is niet aannemelijk dat dit slechts voor een enkeling geldt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de geraamde opbrengsten op geen enkele wijze heeft onderbouwd, nu verweerder deze heeft afgezet tegen de resultaten van voorafgaande jaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de ramingen te hoog of te laag zijn. Verweerder heeft inzicht verschaft in de geraamde kosten. Eiseres heeft aangevoerd dat dit onvoldoende is en verweerder op detailniveau inzicht moet verschaffen in de geraamde lasten en trekt een aantal kostenposten in twijfel. Ook indien de door eiseres specifiek in twijfel getrokken posten buiten beschouwing worden gelaten, zijn de lasten echter nog steeds hoger dan de baten. De opbrengstlimiet is dus niet overschreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl