Conclusie A-G IJzerman 20 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:978
A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/05118 naar aanleiding van het beroep in cassatie van B&W gemeente Heerlen en het incidentele beroep in cassatie van [X] Beheer B.V., belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 27 september 2012, nr. 11/00681, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9468, BB 2012/515 met noot De Bruin. Aan belanghebbende is op haar verzoek een gemeentelijke bouwvergunning verleend voor het vergroten van haar winkelgebouw in de gemeente. De vastgestelde bouwkosten belopen € 10.000.000. In verband daarmee is aan belanghebbende een aanslag bouwleges opgelegd ten bedrage van € 223.647,50. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Legesverordening Heerlen 2008 onverbindend moet worden verklaard. Het Hof heeft belanghebbende op twee punten in het gelijk gesteld. Ten eerste resulteert deze Verordening, volgens het Hof, in onredelijke en willekeurige belastingheffing doordat aanvragers van bouwplannen met ‘grote bouwsommen’, zoals belanghebbende, substantieel zwaarder worden belast dan aanvragers van bouwplannen met ‘kleine bouwsommen’ en ‘middelgrote bouwsommen’, terwijl de gemeentelijke beoordelingskosten voor grote projecten naar verhouding (veel) lager zijn. Daarom heeft het Hof de Verordening jegens belanghebbende onverbindend verklaard. Ten tweede heeft het Hof geoordeeld dat door toedoen van de Heffingsambtenaar een overschrijding van de zogenoemde opbrengstlimiet, tussen geraamde baten en lasten, niet kan worden beoordeeld. Het Hof heeft ook om die reden de Verordening onverbindend verklaard. Tegen deze oordelen van het Hof richt zich het principale beroep in cassatie van B&W. Belanghebbende heeft op haar beurt incidenteel beroep in cassatie ingesteld tegen het oordeel van het Hof dat de tariefstelling in de Verordening niet leidt tot een heffing naar draagkracht. Het Hof heeft, toetsend aan het evenredigheidsbeginsel, geoordeeld dat de Heffingsambtenaar geen objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft aangevoerd voor het feit dat ‘aanvragers van bouwplannen met ‘grote bouwsommen’ substantieel zwaarder belast [worden] dan aanvragers van bouwplannen met ‘kleine bouwsommen’ en ‘middelgrote bouwsommen’, terwijl de kosten voor de gemeente Heerlen (…) (veel) lager zijn in het geval het een aanvraag van een bouwplan met een ‘grote bouwsom’ betreft dan in het geval het een aanvraag van een bouwplan met een ‘kleine’ of ‘middelgrote bouwsom’ betreft’. Dit oordeel acht de A-G in strijd met de jurisprudentie waaruit blijkt dat de heffing zich niet behoeft te richten naar de door bepaalde categorieën veroorzaakte kosten. Het komt de A-G echter voor dat het niet aanvaardbaar te achten is indien een gemeente bij de vaststelling van een heffing als de onderhavige geen enkele redelijke verhouding in acht zou moeten nemen tussen de door de aanvraag van een bepaalde bouwvergunning opgeroepen gemeentelijke kosten en het in verband daarmee geheven bedrag aan bouwleges. De A-G betwijfelt namelijk of het zo is dat hoe hoger de bouwsom is, des te meer het werk van de gemeente toeneemt. Daarentegen zou het zich wel eens kunnen voordoen dat een groot bouwproject vergezeld gaat van uitvoerige rapporten van een door de aanvrager ingeschakeld gerenommeerd architectenbureau, waarop een (kleinere) gemeente weinig anders dan goedkeurend wil, of zelfs maar kan reageren. De veronderstelling dat de aanvrager van een vergunning voor een miljoenenproject, zoals belanghebbende, meer profijt heeft van de vergunning dan de aanvrager van een vergunning voor kleinschalige bouw is volgens de A-G niet van redelijke grond ontbloot. Als uitgangspunt is het zijns inziens dan ook in beginsel toegestaan om een proportioneel deel van de bouwsom aan rechten te heffen. Indien echter de kosten die met het in behandeling nemen van een bepaalde aanvraag extreem lager zijn dan de volgens tabel bepaalde legesheffing, kan de rechter naar de A-G meent in principe tot de conclusie komen dat het onderling totaal scheefliggen van de verdeling van de legesdruk leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing en in zoverre tot onverbindendheid jegens een bepaalde belanghebbende. Het komt de A-G voor dat een andere benadering ertoe zou leiden dat deze heffing van leges als contraprestatie voor door de gemeente verrichte diensten, van een retributie zou verworden tot een min of meer geïndividualiseerde bestemmingsheffing. De A-G kan zich goed voorstellen dat het heffen van belanghebbende van een bedrag van maar liefst € 223.647,50 aan bouwleges in geen enkele redelijke verhouding staat tot de terzake gemaakte gemeentelijke kosten. Het had volgens de A-G op de weg van de gemeente gelegen om meer informatie te verschaffen gezien dit op het eerste gezicht toch bijzonder hoge legesbedrag. Het ontbreken van die informatie zou de A-G voor rekening van de gemeente willen brengen. Op grond van artikel 229b Gemeentewet moeten de tarieven in verordeningen op grond waarvan rechten worden geheven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten terzake, de zogenoemde opbrengstlimiet. Het Hof is tot het oordeel gekomen dat de Heffingsambtenaar, hoewel hij kennelijk over (veel) meer informatie beschikt, heeft verzuimd controleerbaar inzicht te verschaffen in de geraamde baten. Naar aanleiding daarvan heeft het Hof de Verordening jegens belanghebbende geheel onverbindend verklaard. Volgens de A-G geeft dit oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch is sprake van enige onbegrijpelijke feitenvaststelling. Uitgaande van het voorgaande is belanghebbendes incidentele beroep in cassatie voor haar zonder verder financieel belang en daarom niet-ontvankelijk. De conclusie strekt ertoe dat het principale beroep in cassatie van B&W van de gemeente Heerlen ongegrond dient te worden verklaard en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:474
- Hof Den Haag 2 april 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8486
- Hof 's-Hertogenbosch 27 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9468
- HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248
- Conclusie A-G IJZERMAN 13 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU7248
- HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR0707
- Hof 's-Hertogenbosch 16 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV7606
- Rb. Maastricht 19 september 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BU3558
- Hof 's-Hertogenbosch 6 augustus 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP0721
- HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1236
- HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943
- HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5477
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 15 mei 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BD5477
- Rb. Middelburg 20 april 2007, ECLI:NL:RBMID:2007:BB5449
- HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7771
- HR 13 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AF7525
- HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF7505
- HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF7508
- HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF7514
- HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF7523