Rb. Maastricht 21 december 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ5524

Man verzoekt echtscheiding en als nevenvoorziening een bevel verdeling van de gemeenschappelijke zaken. De vrouw erkent de duurzamen ontwrichting en verzoekt zelfstandig om kinder- en partneralimentatie vast te stellen alsmede de man te veroordelen om mede te werken aan de verrekening van de onverteerde inkomsten conform artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden. Echtscheiding wordt uitgesproken en m.b.t. de kinderalimentatie wordt het tussen partijen overeengekomen bedrag in het dictum opgenomen. Zulks evenwel met uitsluiting van de wettelijke indexering. Dit op grond van het feit dat de man sinds de invoering van de Euro maandelijks een (netto-)bedrag van 3.500 euro als inkomen als maat in een advocatenmaatschap ontvangt. De door de vrouw verzochte indexering wordt afgewezen omdat het inkomen van deze alimentatieplichtige niet wijzigt overeenkomstig het algemeen indexcijfer. De door de vrouw verzochte partneralimentatie (3.000,-- euro p.m.) wordt vastgesteld op 1.000,-- euro per maand. Dit ook met uitsluiting van de wettelijke indexering. M.b.t. de verzochte partneralimentatie overweegt de rechtbank: Mede gezien HR 19.12.2003,NJ 2004,140 is onjuist de opvatting van de vrouw dat (noodzakelijke) reserveringen en investeringen in een bedrijf steeds leiden tot vermogensvorming en daarom altijd moeten worden meegerekend bij de bepaling van de welstand van partijen tijdens hun huwelijk. Partijen zijn het eens geworden ter zake het te geven bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke zaken. Met betrekking tot het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om het haar iver te gaan tot verrekening van de onverteerd gebleven inkomsten over de jaren dat het huwelijk heeft geduurd heeft de man aangevoerd dat er niets te verdelen valt omdat hij als maat in de maatschap niet de overwegende zeggenschap heeft als is omschreven in lid 4 van artikel 1:141 BW. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De bepalingen in de wet verrekenbedingen zijn aanvullend recht. Maatgevend voor de verrekening is hetgeen partijen overeengekomen zijn in hun huwelijkse voorwaarden. Analoog aan HR 12.10.2001, NJ 2003,534 beslist de rechtbank dat het aandeel dat de man jaarlijks in de winst van de maatschap opbouwt en dat in de maatschap wordt gelaten als onverteerd inkomen moet worden aangemerkt. Het feit dat dit niet opeisbaar is doet er niet aan af dat dit aandeel in de winst bepaalbaar is en dat dit met de vrouw moet worden verrekend, zodra de man uit de maatschap treedt, en op grond daarvan dit bedrag beschikbaar (liquide) wordt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen