Rb. Maastricht 9 augustus 2002, ECLI:NL:RBMAA:2002:AE7083
Art. 13.1 Algemene Dagloonregelen WAO in strijd met Wet op het Ouderschapsverlof. Eiseres is een WAO-uitkering toegekend, waarbij het dagloon in verband met de periode van ouderschapsverlof is berekend naar een 24-urige werkweek. Eiseres is van oordeel dat de uitkering naar een 32-urige werkweek moet worden berekend. Rechtbank: Art. 13.1 ADR vermeldt onder meer dat bij de berekening van het dagloon de normale werktijd wordt gesteld op de werktijd in de door werknemer en werkgever overeengekomen verlofperiode. In casu kan geen toepassing worden gegeven aan dit artikel. De rechtbank verwijst hiervoor naar onderdeel 5.3 uit de circulaire van de SVR van 2 april 1991, welke ziet op de gevolgen van de Wet op het Ouderschapsverlof. “Gezien het algemene uitgangspunt, dat ouderschapsverlof geen blijvend vertragend effect mag hebben op de WAO-uitkering, dient het dagloon WAO altijd te worden vastgesteld alsof voor betrokkene geen ouderschapsverlofregeling heeft gegolden. Op grond van art. 3 Dagloonregelen WAO geldt in het algemeen een referteperiode van 52 weken gelegen voor de ZW-dag. Over die periode wordt berekend het loon dat de uitkeringsgerechtigde gemiddeld heeft genoten over dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in zijn beroep werkzaam was. Zoals hiervoor al aangegeven dient een regeling inzake ouderschapsverlof te worden beschouwd als een regeling tot toepassing van een kortere dan de normale werktijd, als bedoeld in art. 4, tweede lid, Dagloonregels IWS, resp. art. 3, tweede lid, Dagloonregelen ZW. In de Dagloonregelen WAO ontbreekt een vergelijkbare bepaling, zodat de referteperiode niet wordt verplaatst naar de periode vóór de toepassing van de regeling inzake ouderschapsverlof. Uit de opvatting dat een regeling inzake ouderschapsverlof dient te worden beschouwd als een regeling tot toepassing van een kortere dan de normale werktijd, volgt evenwel dat de desbetreffende periode buiten beschouwing dient te blijven bij de dagloonberekening op grond van art. 3 Dagloonregelen WAO. Ook hier vindt geen evenredige verlaging plaats (art. 14, eerste lid, onderdeel a Dagloonregelen WAO)”. De rechtbank oordeelt dat onverkorte toepassing van art. 13.1 ADR zou leiden tot een situatie, welke, gezien de hierboven vermelde circulaire, in strijd is met de aard en strekking van de Wet op het Ouderschapsverlof. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit artikel dan ook buiten toepassing te worden gelaten, hetgeen betekent dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van het WAO-dagloon in de periode van 29 maart tot 14 april 2000 ten onrechte is uitgegaan van een 24-urige werkweek. Beroep gegrond. De Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mr. H.J.O. Martens
De uitspraak op rechtspraak.nl