Rb. Limburg 29 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6252

Deze uitspraak gaat over het door eiser ingediende beroep niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het onrechtmatig handelen van het Sociaal Wijkteam van de gemeente en de onrechtmatige organisatie van een Jeugdbeschermingstafel (JBT). De achterliggende vraag die hierbij van belang is of het organiseren van een JBT een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bij de bestuursrechter kan worden opgekomen. Verweerder vindt van niet en heeft het bezwaar van eiser bij besluit van 25 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing tot bespreking of agendering van een zaak in een JBT geen besluit is. Concreet voor deze zaak betekent dit dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2872
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder,
(gemachtigde: D. Pereira Wong-Chung).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over het door eiser ingediende beroep niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het onrechtmatig handelen van het Sociaal Wijkteam van de gemeente Venlo en de onrechtmatige organisatie van een Jeugdbeschermingstafel (JBT). De achterliggende vraag die hierbij van belang is of het organiseren van een JBT een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bij de bestuursrechter kan worden opgekomen.

Verweerder vindt van niet en heeft het bezwaar van eiser bij besluit van 25 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar en de inhoud van zijn bezwaarbrief van 10 juni 2025 om die reden terecht niet inhoudelijk heeft beoordeeld.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing tot bespreking of agendering van een zaak in een JBT geen besluit is. Concreet voor deze zaak betekent dit dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep tegen het besluit van 25 november 2025 is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Op dinsdag 13 mei 2025 heeft de gemeente Venlo een JBT georganiseerd waarin de drie kinderen van eiser zijn besproken. De oudste zoon van eiser was hierbij aanwezig. Eiser was hierbij niet aanwezig.

2.1 Op 10 juni 2025 heeft eiser bij verweerder een bezwaar ingediend, omdat hij het niet eens is met het handelen van het Sociaal Wijkteam in Venlo. In het bijzonder het zonder zijn toestemming organiseren van een JBT. En het daar zonder zijn toestemming horen van zijn oudste zoon van op dat moment 14 jaar oud. Eiser heeft verweerder gevraagd om een onafhankelijk onderzoek en schadevergoeding.

2.2 Op 12 november 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.

2.3 Met het besluit van 25 november 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat er volgens verweerder geen sprake is van een besluit waartegen een juridische weg open staat. Het verzoek om dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft verweerder afgewezen, omdat verweerder binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog op het bezwaar van eiser heeft beslist.

2.4 Eiser heeft op zitting verklaard dat hij het besluit van 25 november 2025 nooit van verweerder heeft ontvangen.

2.5 Op 27 november 2025 heeft eiser bij de rechtbank een beroep niet tijdig beslissen op zijn bezwaar ingediend.

2.6 Bij brief van 23 december 2025 heeft de rechtbank aan eiser de door verweerder overgelegde op de zaak betrekking hebbende stukken toegestuurd, waaronder het besluit van 25 november 2025.

2.7 Bij brief van 12 januari 2026 heeft eiser de rechtbank bericht dat hij zich niet kan verenigen met het standpunt van verweerder dat inmiddels rechtsgeldig zou zijn beslist op zijn bezwaar, noch met de conclusie dat het beroep niet tijdig beslissen zou zijn afgedaan. Hij heeft namelijk nog steeds geen inhoudelijke reactie op zijn bezwaar.

2.8 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.9 De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is een JBT?

3 De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) heeft de wettelijke taak de noodzaak tot het treffen van een jeugdbeschermingsmaatregel te onderzoeken. De RvdK kan een beschermingsonderzoek starten op eigen initiatief of na een verzoek hiertoe door het college, een daartoe door het college aangewezen jeugdhulpaanbieder, een gecertificeerde instelling of Veilig Thuis. In de huidige praktijk is het grootste deel van de instroom bij de RvdK afkomstig van de zogeheten JBT. Deze beoordeelt of een beschermingsonderzoek nodig is, en doet een melding bij de RvdK over zorgen over de bij de minderjarige geconstateerde ontwikkelingsbedreiging. JBT’s hebben geen wettelijke status. Verschillende professionals bespreken de zorgen die er zijn in een gezin en de hulp die het gezin ontvangt. Wie daarbij aanwezig zijn, kan verschillen per regio. Doorgaans zijn een raadsonderzoeker, de hulpverlener die de zaak heeft aangemeld en een medewerker van het Centrum Jeugd en Gezin, wijkteam en/of een gecertificeerde instelling aanwezig. Ouders en kinderen kunnen worden uitgenodigd. Wat het uitnodigen van kinderen betreft, hanteert niet elke gemeente dezelfde leeftijdsgrens. Er kunnen verschillende uitkomsten zijn: voortzetten van de hulpverlening in het vrijwillig kader, opstarten van een beschermingsonderzoek door de RvdK of het uitstellen van een dergelijk onderzoek onder bepaalde voorwaarden.

4 Voor de gemeente Venlo staat in de Factsheet JBT Noord-Limburg omschreven wat het doel en de werkwijze van de JBT Noord-Limburg is. Een bespreking aan de JBT kan de volgende doelen hebben:

• Het maken van een afweging binnen welk kader (vrijwillig of gedwongen) de meest passende hulpverlening geboden/ingezet kan worden. Deze afweging wordt gemaakt op basis van het gesprek dat plaatsvindt aan de JBT in aanwezigheid van ouders, jeugdigen vanaf 12 jaar en de verzoekende partij (GI, Veilig Thuis of lokale toegang gemeente).

• Het gaat hierbij om jeugdigen die ernstig in hun ontwikkeling en/of veiligheid worden bedreigd en waarbij de bereidheid, het vermogen en het vertrouwen hier verandering in aan te brengen bij ouder(s) en/of jeugdige onvoldoende is om de ernstige bedreiging weg te nemen.

• Er is een mogelijkheid tot het inbrengen van een casus aan de JBT (professionele consultatie). Doel is de afweging maken of alle stappen in het vrijwillig proces zijn doorlopen. Tevens het onafhankelijk meedenken bij impasses in het hulpverleningsproces.

4.1 De vaste partners van de JBT namens de samenwerkende gemeenten Noord-Limburg zijn:
• Onafhankelijk voorzitter
• Onafhankelijk gedragswetenschapper
• Veilig Thuis
• RvdK

4.2 Over de besluitvorming en verslaglegging staat het volgende in de Factsheet:
Het gesprek aan de JBT wordt afgerond met het nemen van een besluit door de vaste partners van de JBT. Daarnaast worden voortgangsafspraken geformuleerd. Het besluit en de voortgangsafspraken zijn niet vrijblijvend. Onderstaand zijn de mogelijke uitkomsten van de JBT:
1. Inzetten, voortzetten dan wel aanpassen van hulpverlening binnen het vrijwillig kader.
2. Aanvullende (veiligheids-)afspraken worden gemaakt zodat een raadsonderzoek afgewend kan worden. Een nieuwe bespreking aan de JBT wordt ingepland om de gemaakte afspraken te monitoren. Ter voorbereiding van een dooragendering dienen 8 werkdagen voorafgaand aan de JBT de volgende stukken aangeleverd te worden: evaluatie én Veiligheidskaart (VHK).
3. De RvdK wordt verzocht een kinderbeschermingsonderzoek te starten. Het onderzoek zal na afronding antwoord geven op de vraag of het noodzakelijk is om een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken aan de Rechtbank. De verzoeker dient het verzoek tot onderzoek (VTO) + bijlagen en VHK in te dienen via CORV zodat de RvdK de zaak in behandeling kan nemen.

4.3 Ouders, jeugdigen (12+), verzoeker en de RvdK ontvangen vanuit de JBT een schriftelijke weergave met daarin opgenomen de overweging, besluit en de gemaakte voortgangsafspraken van het JBT-overleg.
Wat is de plek van een JBT in het Nederlandse jeugdhulpverleningsstelsel?
5. Het Nederlandse jeugdhulpverleningsstelsel bestaat uit een vrijwillig kader en een gedwongen kader. Het gedwongen kader start in beginsel met het uitspreken van een ondertoezichtstelling door een kinderrechter. Alle hulpverlening buiten dit kader vindt gelet op de systematiek van de wet in het vrijwillige kader plaats. Een JBT valt in het vrijwillige kader.
Is de beslissing tot bespreking of agendering van een zaak in een JBT een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb?
6. Eiser heeft aangevoerd dat het organiseren van de JBT onomkeerbare gevolgen heeft gehad voor zijn gezinsleven. Dit is in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft sinds 11 mei 2025 geen contact meer met zijn drie kinderen. Dit ondraaglijke verlies van contact is volgens eiser het directe gevolg van het onrechtmatige proces dat door de gemeente Venlo is gefaciliteerd. Het uitblijven van een besluit van verweerder heeft hem al bijna een jaar de mogelijkheid op rechtsbescherming ontnomen, met destructieve gevolgen voor de ouder-kindrelatie. Volgens eiser is dit wel degelijk een besluit.

6.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van belang.

6.2 Op grond van artikel 1:3 van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg.

6.3 De rechtbank is van oordeel dat de beslissing tot bespreking of agendering van een zaak in een JBT geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het enkele bericht dat een zaak is geagendeerd voor een JBT heeft op dat moment geen rechtsgevolgen voor de ouders en/of de jeugdige. Bespreking of agendering van een zaak in een JBT is bedoeld om ervoor te zorgen dat verschillende instanties beter met elkaar kunnen samenwerken om samen met het gezin en/of de minderjarige te bespreken of een jeugdbeschermingsmaatregel nodig is of dat vrijwillige hulp nog mogelijk is. Het doel daarvan is het bepalen van de meest passende hulpverlening aan het gezin en/of de minderjarige(n).

6.4 De stelling dat de verwijzing naar de JBT onomkeerbare gevolgen voor eisers gezinsleven (artikel 8 van het EVRM) heeft gehad, volgt de rechtbank niet. De verwijzing zelf is niet op rechtsgevolg gericht. Dat een JBT tot uitkomst kan hebben dat de RvdK een kinderbeschermingsonderzoek start, is ook niet op rechtsgevolg gericht. Deze bevoegdheid van de RvdK vloeit rechtstreeks voort uit de Jeugdwet. Als dat tot gevolg heeft dat de RvdK aanleiding ziet om te adviseren jeugdbeschermingsmaatregelen te nemen, is het de kinderrechter die daarop beslist. Via de kinderrechter is de rechtsbescherming voor ouders geregeld. Het is niet gebleken dat dit voor eiser anders is geweest. De rechtbank beschikt niet over de stukken die te maken hebben met de JBT en het daarna ingezette traject bij de RvdK. Wat er precies is gebeurd en hoe het komt dat eiser zijn kinderen al zo lang niet heeft gezien, weet de rechtbank niet. Daarvoor kan eiser zich tot de kinderrechter wenden. Dat had eiser ook kunnen doen, als er inderdaad – zoals hij heeft gesteld – de moeder zich niet meer hield aan de vastgestelde omgangsregeling. Als ouders of minderjarigen menen dat hun rechten worden geschonden, dan staat hun een effectief rechtsmiddel ter beschikking, namelijk bij de kinderrechter.
Heeft verweerder met het besluit van 25 november 2025 beslist op het bezwaar van eiser?
7. Eiser is van mening dat het besluit van 25 november 2025 geen besluit is op zijn bezwaarschrift van 10 juni 2025. Het bevat geen inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaren, geen belangenafweging, geen reactie op zijn verzoeken. Wel wordt zijn bezwaar eenzijdig aangemerkt als een klachtschrift. Daar is eiser het niet mee eens. Het beroep niet tijdig beslissen blijft daarom volgens eiser onverkort van kracht.

7.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het besluit van 25 november 2025 wel heeft beslist op zijn bezwaar. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat verweerder van mening is dat er geen bezwaar open staat tegen de beslissing tot bespreking of agendering van een zaak in een JBT. Of dit een inhoudelijk juist besluit is, doet er niet toe. Het gaat erom dat verweerder hiermee heeft beslist op het bezwaar van eiser. Gelet op het bepaalde in artikel 4:17, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Awb is in dat geval geen dwangsom verschuldigd. Dat eiser stelt dat hij het besluit van 25 november 2025 nooit van verweerder heeft ontvangen en dat verweerder niet met een verzendadministratie kan aantonen dat dit besluit aan eiser is verzonden, maakt niet dat verweerder in weerwil van artikel 4:17, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Awb tóch een dwangsom is verschuldigd.
Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder, na ontvangst van de ingebrekestelling op 12 november 2025, alsnog op 25 november 2025, dus binnen twee weken, op de aanvraag van eiser heeft beslist.

8.1 Omdat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij een oordeel over het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Het beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van het beroep tegen het alsnog genomen besluit van 25 november 2025
9. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

9.1 Verweerder heeft op 25 november 2025 een besluit genomen dat niet aan het bezwaar van eiser tegemoet komt. Dat betekent dat dit besluit in beginsel in de procedure in beroep wordt meegenomen.

9.2 Nu de beslissing tot bespreking of agendering van een zaak in een JBT naar het oordeel van de rechtbank geen besluit is, heeft verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 25 november 2025 ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

10 Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar van 25 november 2025 is ongegrond.

11 In de omstandigheid dat verweerder niet kan aantonen het besluit van 25 november 2025 aan eiser te hebben verzonden en eiser heeft gesteld dat hij pas na het indienen van het beroepschrift erachter is gekomen dat verweerder dit besluit had genomen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiser moet vergoeden.

12 Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar van 25 november ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026. .

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken