Rb. Rotterdam 24 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8533
Jeugdwet. Brief met betrekking tot drangaanpak is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het ontbreken van de vermelding van de gevolgen indien geen gebruik wordt gemaakt van de aangeboden hulp, laat onverlet dat van een publiekrechtelijke rechtshandeling eerst sprake kan zijn indien een extern rechtsgevolg in het leven wordt geroepen. Het aanwijzen van een contactpersoon brengt geen rechtsgevolg tot stand. Dit geldt evenzeer voor de mededeling dat er zorgen zijn over de ontwikkeling en mogelijk ook over de veiligheid van het kind en voor de mededeling dat professionele hulp nodig is. De omstandigheid dat de contactpersoon werkzaam is bij een gecertificeerde instelling brengt als zodanig niet met zich dat een rechtsgevolg intreedt, nu daarmee van een kinderbeschermingsmaatregel nog geen sprake is. De brief kan voorts niet worden aangemerkt als een beschikking waarbij jeugdhulp wordt toegekend, nu het enkele aanwijzen van een contactpersoon niet als jeugdhulp kan worden aangemerkt en overigens een nadere omschrijving van de voorziening, zoals bedoeld in artikel 6 van de Verordening, ontbreekt. Ook in de geschiedenis van de totstandkoming van de Jeugdwet zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat de zogenoemde drangaanpak een voorziening is die moet worden toegekend op grond van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De in de brief neergelegde drangaanpak beoogt onder meer hulp in het gedwongen kader te voorkomen. Daarnaast zijn er in het vrijwillige kader diverse hulpmogelijkheden. De Jeugdwet is op 1 januari 2015 in werking getreden. Ten tijde van de brief (20 februari 2015) was nog geen sprake van een situatie dat de positie van de drangaanpak binnen het stelsel van de Jeugdwet zodanig duidelijk was dat er kennelijk geen twijfel over kon bestaan dat een bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk is, omdat de brief geen voor bezwaar vatbaar besluit is. Op grond hiervan heeft verweerder ten onrechte op de voet van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb afgezien van het horen van eiseres in bezwaar. In beroep is eiseres alsnog gehoord. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres door het niet horen in bezwaar niet is benadeeld. Hetgeen eiseres in beroep naar voren heeft gebracht geeft geen aanknopingspunten voor twijfel hieromtrent. De rechtbank kan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand laten.
De uitspraak op rechtspraak.nl