Rb. Limburg 10 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:6663
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor de kosten van juridische bijstand heeft afgewezen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) geen voorliggende voorziening is in zijn geval, omdat het financieel belang lager was dan € 500,00. Reeds door zich te wenden tot een juridisch adviseur aan wie geen toevoeging kan worden verleend, heeft eiser zichzelf de mogelijkheid ontnomen om een beroep te doen op de hardheidsclausule op grond waarvan gefinancierde rechtsbijstand mogelijk is ondanks het geringe financieel belang als hier bedoeld. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet slaagt niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 8 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1938
- CRvB 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263
- ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772
- CRvB 31 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1238
- CRvB 30 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1325
- CRvB 2 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2932
- ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243
- CRvB 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3215
- CRvB 23 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8044