Rb. Limburg 14 maart 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:2409
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de bekendmaking van een van rechtswege verleende Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) ongegrond verklaard en de OBM in stand gelaten. Eisers voeren aan dat geen vergunning van rechtswege is ontstaan omdat het gebruik van het perceel in strijd is met het geldende bestemmingsplan (thans omgevingsplan) nu ter plaatse een specifieke aanduiding geldt, waaraan de inrichting niet voldoet. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond aldus dat eisers zich op het standpunt stellen dat verweerder in strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo en artikel 4:5, eerste lid van de Awb heeft gehandeld zodat het bestreden besluit om die reden moet worden vernietigd. De rechtbank volgt eisers daarin niet en is van oordeel dat het bedrijf van vergunninghouder - een scheepsloperij die in de Staat van Bedrijfsactiviteiten met SBI-code 3511 vermeld als bedrijf in categorie 5.2 - op grond van het bestemmingsplan rechtstreeks is toegestaan. Nu alleen een OBM is aangevraagd, is daarop de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing zodat na verloop van acht weken een vergunning van rechtswege is ontstaan. De rechtbank overweegt ambtshalve dat eisers een procesbelang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende mer-OBM omdat de OBM op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet in verbinding met artikel 5.1, tweede lid, van de wet en artikel 3.164 van het Bal, nadat de OBM onherroepelijk is geworden, gaat gelden als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Ten aanzien van de overigens aangevoerde beroepsgronden overweegt de rechtbank dat het bestemmingsplan zelf in deze zaak niet ter beoordeling voorligt. Dat een scheepssloperij op zo korte afstand van hun woning planologisch onaanvaardbaar is, dat de zonetoets niet voldoet en het bedrijf niet aan het vastgestelde maatwerkbesluit voldoet of kan voldoen, zijn geen onderwerpen die in de onderhavige procedure kunnen worden beslist. De rechtbank overweegt dat artikel 5.13b van het Bor een limitatief toetsingskader biedt. Dat wil zeggen dat, als geen van de weigeringsgronden zich voordoet, de OBM moet worden verleend. Een mer-OBM moet worden geweigerd, als het bevoegd gezag beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Omdat door eisers geen inhoudelijke beroepsgrond is aangevoerd die betrekking heeft op de mer-beoordeling, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat er voor dit project geen mer hoefde te worden opgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 45 Wgh
- Artikel 110a Wgh
- Artikel 1.1 Wm
- Artikel 7.17 Wm
- Artikel 7.18 Wm
- Artikel 4:5 Awb
- Artikel 8:69 Awb
- Artikel 2 MER
- Artikel 2.1 Wabo
- Artikel 2.7 Wabo
- Artikel 3.9 Wabo
- Artikel 3.10 Wabo
- Artikel 2.2a Bor
- Artikel 5.13a Bor
- Artikel 5.13b Bor
- Artikel 6.19 Bor
- Artikel 1.1 Omgevingswet
- Artikel 5.1 Omgevingswet
- Artikel 3.164 Bal
- Artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet