Rb. Limburg 31 januari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:536
Civiel recht. Bodemzaak. De vrouw is voor haar huwelijk eigenaar geworden van een huis. Later zijn de vrouw en de man in gemeenschap van goederen gehuwd. In het kader van de echtscheiding hebben partijen een echtscheidingsconvenant opgesteld. In dat convenant hebben zij afspraken gemaakt over toedeling van de woning aan de vrouw onder de voorwaarde dat de man ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld. Ook zijn partijen overeengekomen dat uiterlijk binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de notariële akte verleden zal worden waarbij het aandeel van de man de woning aan de vrouw geleverd wordt. Een aantal jaren heeft de bank de man nog steeds niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld ontslagen. De man wil dat de onverdeeldheid eindigt. Partijen verschillen van mening of de man hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheekschuld en of de woning al verdeeld is. De rechtbank beantwoordt de eerste vraag bevestigend (artikel 1:102 BW) en de tweede vraag ontkennend, omdat het convenant volgens de rechtbank een ontbindende voorwaarde bevat (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 en 6:22 BW). De rechtbank deelt de woning alsnog aan de vrouw toe onder de voorwaarden genoemd in de beslissing.
De uitspraak op rechtspraak.nl