Rb. Limburg 19 juli 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:4600
Betreft beroep en verzoek om een voorlopige voorziening tegen een beslissing van het college van Gedeputeerde Staten van Limburg (GS) op een (herhaald) verzoek om actualisatie en/of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning van 21 januari 2014 voor een varkenshouderij. Het verzoek houdt verband met de wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij per 20 juli 2018 en de omstandigheid dat inmiddels uit geurmetingen aan één van de luchtwassers van de stal, die eind 2020 in gebruik is genomen en waarin 19.200 vleesvarkens worden gehuisvest, is gebleken dat die luchtwasser niet structureel goed functioneert. GS heeft beslist dat de vergunninghouder minder varkens mag gaan houden en de door vergunninghouder aangevraagde (bouwkundige) aanpassingen aan de stallen moet doen waardoor bij de overbelaste woningen aan de gewenste geurbelasting van 19,4 OUe/m³ wordt voldaan. Die norm is ontleend aan het vonnis van 14 september 2022 van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2022:9119). Voor verzoekers gaat dat niet ver genoeg. Zij vorderen intrekking van meer varkens zodat bij een minimumrendement van de luchtwassers van 45% aan de wettelijke geurnormen wordt voldaan. Zij willen ook dat aan het bedrijf vergaande meetverplichtingen worden opgelegd. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerders besluit in overeenstemming is met artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en met de rechterlijke uitspraken naar aanleiding van eerdere verzoeken. Voor toewijzing van de vergaande verzoeken bij wijze van voorlopige voorziening ziet de voorzieningenrechter geen grond. Dat is mogelijk in de bodemzaak aan de orde. Wel heeft de voorzieningenrechter beslist dat vergunninghouder meteen na het realiseren van de aanpassingen aan de bestaande stal een geurmeting uitvoert en met V-stacksvergunning laat doorrekenen of bij verzoekers aan de geurnorm van 19,4 OUe/m³ wordt voldaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl