Rb. Limburg 15 maart 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:2400
Vergunninghoudster beschikt over een onherroepelijke omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en e, van de Wabo voor het bouwen van stallen en het houden van 19.208 vleesvarkens, 10.836 biggen, 3.756 zeugen en 45 dekberen. Bij de vergunningverlening is op grond van de geldende Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) ervan uitgegaan dat met het vergunde stalsysteem (combiluchtwassers) een geurreductie van 85% wordt behaald. Omdat dit rendement volgens eisers ernstig is overschat, hebben zij verweerder verzocht om intrekking en subsidiair tot wijziging van de vergunning voor de activiteit milieu zodat de vergunde bedrijfsvoering voldoet aan de wettelijke eisen, gebaseerd op de meest actuele milieu-inzichten. Per 20 juli 2018 is de Rgv gewijzigd en geldt voor het betrokken stalsysteem een geurreductie van 45%. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning afgewezen (artikel 2.33 van de Wabo) en met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo een voorschrift gewijzigd (het geurrendement van het betrokken stalsysteem van 85% is niet gehandhaafd) en een nieuw voorschrift vastgesteld, inhoudende dat de geuremissies niet hoger mogen zijn dan overeenkomend met een geurreductie van 45% en dat ernaar gestreefd moet worden om de geuremissies te beperken tot een niveau overeenkomend met een geurreductie van 85%. Tevens zijn controlemetingen voorgeschreven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft overwogen dat vooralsnog geen duidelijkheid bestaat over het feitelijk met de vergunde luchtwasser te behalen rendement. Die duidelijkheid en de gevolgen voor de omgevingskwaliteit kunnen pas duidelijk worden zodra de resultaten van de controlemetingen bekend zijn. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden gezegd dat er een grondslag voor intrekking bestaat omdat niet vaststaat dat bij inwerkingtreding van de inrichting een ontoelaatbaar geurhinderniveau in de omgeving van de inrichting zal optreden. Verder is geoordeeld dat verweerder, gezien de hem in dezen toekomende beleidsruimte, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval en op dit moment de gestelde streefnorm vooralsnog voldoende is ter bescherming van het milieu. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat, indien uit de voorgeschreven geurmetingen blijkt dat de geurvrachten van dien aard zijn dat feitelijk blijkt van een onaanvaardbare milieukwaliteit voor de omgeving, verweerder zich opnieuw (ambtshalve) beraadt over de mogelijkheid van wijziging van de vergunning of over (gedeeltelijke) intrekking daarvan.
De uitspraak op rechtspraak.nl