Rb. Limburg 22 februari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1342
Omgevingsvergunning voor uitbreiding mestbe- en verwerking (van 80.000 naar 450.000 m³). Strijd met artikel 11 van het Besluit Chw zodat artikel 1.6a van de Chw niet aan eisers mag worden tegengeworpen. Er is geen sprake van een wezenlijk andere inrichting die door de aanvraag ontstaat, waardoor verweerder niet (meer) bevoegd zou zijn om een veranderingsvergunning te verlenen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in redelijkheid het mer-beoordelingsbesluit uit 2016, ook na wijzigingen in de aanvraag, betrokken kon worden bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Gronden over de Wet Bibob en de Wet natuurbescherming struikelen over het relativiteitsvereiste. Er is met het bestreden besluit geen schaarste gecreëerd, zodat van toedeling van een schaars recht in deze zin bij de omgevingsvergunning geen sprake kan zijn. De rechtbank stelt vast dat de te verwachten geurbelasting voor de vergunningverlening moest worden berekend omdat zowel de agrarische als de industriële geurbronnen niet of niet volledig operationeel waren. In een dergelijke situatie kan (nog) niet worden gemeten. Hoewel eisers hebben gepleit voor metingen in plaats van berekeningen, is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop de vergunning is voorbereid en de geurbelasting is berekend niet onzorgvuldig, onjuist of anderszins niet conludent is. Of de berekeningen in het geurrapport en de daarbij gehanteerde uitgangspunten uiteindelijk voldoende realistisch en betrouwbaar zijn, en of vergunninghoudster zich aan de voorgeschreven geurvracht kan houden, moet in de (nabije) toekomst blijken uit controlemetingen. De rechtbank concludeert dat uit de controlerapporten van na de datum in geding weliswaar blijkt van geurhinder, in niet gekwantificeerde mate, maar daaruit blijkt niet dat wat is vergund niet vergund had mogen of kunnen worden of dat het voor vergunninghoudster niet mogelijk is zich aan de vergunde geurvracht te houden als alle voorschriften worden nageleefd. Nu de totale geurvracht is gedefinieerd kunnen ook de door eisers gevraagde nadere voorschriften niet tot een hoger beschermingsniveau leiden. De door eisers geuite vrees voor gezondheidsschade leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat verweerder bij de vergunningverlening is uitgegaan van een niet realistische inschatting van de risico’s.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1954
- ABRvS 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953
- ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706
- ABRvS 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2384
- Rb. Limburg 25 juni 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:4619
- ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1129
- ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283
- ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3322
- ABRvS A-G Widdershoven 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1421
- ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1379
- ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2959
- ABRvS 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2046
- ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:230