Rb. Limburg 15 september 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:7038
Deze beroepen gaan over WIA-verhaalsbesluiten op de garantsteller van failliete werkgevers die eigenrisicodrager waren voor de Wet WIA. Aan de orde is gekomen onder meer of sprake is geweest van zogenaamde overgang van onderneming en welke jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over dit onderwerp daarbij van toepassing moet worden geacht: de jurisprudentie van 11 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4322) en 21 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1608) of de uitspraak van 4 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3920)? Tevens heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de positie van de garantsteller na faillissement en de uitleg van artikel 40, zevende lid, van de Wfsv. De beroepen zijn gegrond verklaard en de rechtsgevolgen zijn (vrijwel op alle punten) in stand gelaten. De rechtbank heeft hierbij in beide zaken per individuele werkneemster van wie de verstrekte WIA-uitkering op de garantsteller is verhaald, beoordeeld of het verhaal wel of niet correct is geweest.
De uitspraak op rechtspraak.nl