Rb. Limburg 30 april 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:3332
Bij het bestreden besluit is een waterwetvergunning verleend voor het lozen van afvalwater door een mestverwerkingsinstallatie op oppervlaktewater. Eiseressen voeren in beroep aan dat er in de door verweerder aan vergunninghoudster verleende watervergunning meer en strengere voorschriften moeten worden opgenomen over reststoffen van veemedicatie en bestrijdingsmiddelen in het te lozen afvalwater. Op de zitting is met alle partijen – eiseressen, verweerder en vergunninghoudster – afgesproken na te gaan welke voorschriften er ten aanzien van de lozing van de genoemde stoffen kunnen worden opgenomen in de verleende watervergunning. Op basis van de reacties van alle partijen komt de rechtbank tot het oordeel dat er een aanvullend voorschrift (meet-, bemonstering- en analyseverplichting) aan de watervergunning moet worden verbonden. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover is nagelaten daaraan een aanvullend voorschrift te verbinden. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door aan de watervergunning een aanvullend voorschrift te verbinden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl