Rb. Limburg 24 september 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:8581
Het recht op betoging en het recht op vrijheid van meningsuiting zijn grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde mensenrechten en vrijheden. Beperkingen aan een betoging, waarbij het recht op vrijheid van meningsuiting wordt uitgeoefend, zijn alleen toegestaan als deze dienstig zijn aan een of meer van de in de Wet openbare manifestaties genoemde belangen (bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer en bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden). Het uit het IVBPR en EVRM voortvloeiende noodzakelijkheidscriterium voor beperkingen geeft aanleiding voor een strikte uitleg van de bevoegdheid om beperkingen te stellen aan het betogingsrecht (en het daaraan gekoppelde recht op vrijheid van meningsuiting), mede aan de hand van het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Het flyerverbod dat door de burgemeester van Maastricht als voorwaarde aan de betogingen is verbonden, maakt de betoging niet feitelijk onmogelijk en is dus geen verbod, maar een beperking. De burgemeester heeft aangegeven dat het flyerverbod is gesteld omdat door het flyeren opstoppingen zouden kunnen ontstaan of vluchtwegen zouden kunnen worden geblokkeerd. Dit flyerverbod kan de toets aan het subsidiariteitsbeginsel niet doorstaan. Het voorkomen van opstoppingen en blokkering van vluchtwegen kan immers op andere manieren en/of via andere voorwaarden dan een algeheel flyerverbod worden bewerkstelligd die het recht op vrijheid van meningsuiting niet of in veel mindere mate beperken. De voorwaarde van begeleiding door gecertificeerde verkeersregelaars is dienstig aan het verkeersbelang en kan wel de toets aan het subsidiariteitsbeginsel doorstaan. Deze voorwaarde gaat, mede gezien het tot twee beperkte aantal verkeersregelaars, niet verder dan nodig om het doel van een veilig verloop van de betoging voor de deelnemers zelf en voor het overige verkeer te bereiken. De voorwaarde kan ook de toets aan het proportionaliteitsbeginsel doorstaan. De kosten die deze voorwaarde met zich meebrengt zijn in de hier aan de orde zijnde omstandigheden niet onevenredig gelet op het daarmee gediende en het daardoor geschade belang.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2820
- ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:785
- CRvB 18 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:149
- ABRvS 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2521
- ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1510
- ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:99
- Rb. Den Haag 27 november 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:16319
- ABRvS 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2101
- ABRvS 25 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4009
- Rb. Arnhem 13 mei 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AT5504
- ABRvS 31 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5986
- Rb. Maastricht 22 maart 2001, ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0754
- HR 17 maart 1953, ECLI:NL:HR:1953:AG1989