Rb. Maastricht 22 maart 2001, ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0754
Demonstratieverbod in casu ten onrechte uitgevaardigd. Verbod tot het houden van een demonstratie. Sprake is van een betoging ex art. 9.1 Grondwet. Het bepaalde in de artt. 9.1 en 9.2 en in art. 2 juncto art. 5 Wom brengt met zich dat een betoging slechts in dwingende situaties preventief mag worden verboden: de in art. 9.2 Grondwet genoemde belangen moeten dat vorderen, dat wil zeggen dat het belang in kwestie in de gegeven situatie preponderant moet zijn en de situatie van dien aard is dat niet met een lichtere maatregel (zoals het stellen van voorschriften/beperkingen ex art. 5 Wom) kan worden volstaan. Er dienen derhalve zwaarwegende omstandigheden in geding te zijn voor een beperking van het recht te demonstreren. Een dergelijke beperking kan in beginsel niet gelegen zijn in de overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover de deelnemers aan een betoging de verstoring van de openbare orde ten gevolg zal hebben: ervan uitgaande dat die betoging zelf met inachtneming van de voorschriften zal verlopen, behoort de burgemeester haar de nodige politiebescherming te bieden ten einde haar doorgang te doen vinden. Dit uitgangspunt lijdt eerst dan uitzondering indien er een bestuurlijke overmachtssituatie dreigt te ontstaan: wanneer een betoging naar redelijke verwachting gepaard zal gaan met wanordelijkheden op zodanige schaal dat er niet voldoende politie ingezet kan worden om daaraan het hoofd te bieden, kan een betoging worden verboden. Verweerder heeft zijn besluit tot het verbieden van de litigieuze demonstratie de facto uitsluitend gegrond op het bestaan van vrees voor het ontstaan van wanordelijkheden die niet met de beschikbare politie-inzet kunnen worden voorkomen. Deze vrees is met name gegrond op de aangekondigde (doch door verweerder ook verboden) tegendemonstraties, alsook op de omstandigheid dat de van het organiserende comité deel uitmakende X recentelijk betrokken is geweest bij een vijftal demonstraties in Duitsland waarbij zich, ondanks een politie-inzet van circa 2000 manschappen ongeregeldheden hebben voorgedaan en strafbare feiten zijn gepleegd "door een kring van deelnemers die bij X als bekend verondersteld worden". Dienaangaande overweegt de president dat de vrees voor wanordelijkheden door verweerder op geen enkele wijze nader is onderbouwd. Verweerder heeft de president er niet van kunnen overtuigen dat in casu de inzet van de normaliter beschikbare manschappen, eventueel vermeerderd met hetgeen wordt ingezet bij risico-wedstrijden in het Parkstad Limburg-stadion, ontoereikend zou zijn. Voorts is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt waarom in casu lichtere maatregelen dan een verbod van de demonstratie geen uitkomst kunnen bieden. De verwachting dat als gevolg van de demonstratie wellicht strafbare feiten zullen voorvallen kan evenmin grond vormen voor een verbod. Alleen de ernst van de te verwachten wanordelijkheden en de bestaande mogelijkheden deze te bestrijden, kunnen een rol spelen bij de beslissing een demonstratie te verbieden. Schorst het bestreden besluit. De burgemeester van de gemeente Kerkrade, verweerder. mr. J.N.F. Sleddens (president)
De uitspraak op rechtspraak.nl